Ali, mijn vrouw, is beeldend kunstenaar. Vanuit een grote steen hakt en beitelt ze een vogel, een poes of een hond. Soms ontstaat er iets wat ze niet van tevoren voor ogen had. Een andere keer weet ze precies waar het op uit zal lopen. Ik denk dat er een soort harmonie moet ontstaan tussen haar en de steen, zodat de steen zich aan haar overgeeft, op zoek naar wat er in hem verborgen is.

Daarom durf ik te schrijven: ‘Mijn vrouw is beeldend kunstenaar.’ Ik ben trots op haar.

Ooit heb ik eens het verhaal gehoord over een beeldhouwer die met hamer en beitel aan een grote steen werkte. Een voorbijganger vroeg hem waar hij mee bezig was. Zijn antwoord was: ‘In die steen zit een engel en die hak ik eruit.’

Volgens mijn vrouw zijn er beeldhouwers die eerst een poos met de steen in hun handen zitten, voordat ze beginnen te werken. Daarna leggen ze de steen op de grond en zetten hun voeten erop. Zo proberen ze contact met de steen te krijgen. Voor zoiets is Ali te nuchter.

En toch gebeuren er soms wonderlijke dingen. Ik neem je mee in het gebeuren.

‘Ik denk dat ik weet wat ik hiervan wil maken,’ zegt mijn vrouw. Ze pakt de steen beet en bekijkt hem van alle kanten. Hij is van oranje seleniet, en je kunt nu al de verschillende kleurschakeringen in de steen zien. Het moet een ronde boog worden, waarvan de beide uiteinden over elkaar heen buigen. Met een beetje verbeelding zou je daarin Gods beschermende handen over je leven kunnen zien, dacht ik.

Opgetogen gaat ze aan het werk. Eerst de ronding erin raspen. Dat vergt heel wat energie en geduld. Uren ploeteren, gaten boren, en tussen de gaten door weer raspen. Langzaam maar zeker komt het beeld tot leven.

Totdat, plotseling, de steen breekt door een zwakke plek van zand. Dat is even slikken. Ze haalt het zwakke er tussen uit, en de rest lijmt ze aan elkaar. De boog, die de twee zorgdragende handen van God verbeeldt, bestaat niet meer.

Wat overblijft is een kleinere ronde boog, waarvan de uiteinden elkaar niet raken. Het lijkt wel op een hoofdletter C.

Na verloop van tijd staat het ‘werkstuk’ op de schouw naast de kachel te pronken. Het is mooi gladgeschuurd en gepolijst. De vlammen in de kachel weerspiegelen zich in het beeld. Ali zit naast mij op de bank. Ze pakt mijn hand en zegt: ‘Weet je dat ik al kijkend naar de steen de C van Corien zie?’

Zij is onze dochter, die op jonge leeftijd is overleden. De opening in de boog geeft het onaffe leven weer. De glans van de steen weerspiegelt haar bestaan, waaraan velen zich hebben opgetrokken.

Ik denk dat Ali nog niet uitgebeiteld is.

 

Douwe Jansen