De Bijbel is een onvolprezen gids voor het menselijk leven, door God gegeven. Op tal van gebieden blijken de instructies uit de Bijbel vaak weer verrassend actueel. Hoewel de mensen voor wie die instructies in eerste instantie bedoeld waren heel lang geleden leefden, blijft de inhoud ervan generatie na generatie actueel. Ook bij het thema ‘sport’ is dat interessant genoeg het geval.

Wie zoekt naar een positieve waardering van sporten, iets wat in onze cultuur heel gangbaar is, komt in eerste instantie bedrogen uit.

Enige vermelding

Er is in feite maar één tekst waar lichamelijke oefening wordt genoemd en dat is 1 Timoteüs 4:8. In deze aan Paulus toegeschreven brief staat een interessante opmerking. In de NBV21 wordt dit vers als volgt vertaald: ‘Oefening van het lichaam heeft wel enig nut, maar het nut van een vroom leven is grenzeloos, omdat het een belofte inhoudt voor dit leven en het leven dat komen zal.’

Interessant genoeg was de teneur van de Statenvertaling een hele andere: ‘lichamelijke oefening is tot weinig nut’. In beide vertalingen is de essentie dezelfde: het trainen van het lichaam mag best, maar het trainen van je geloof en vroomheid is veel belangrijker.

Grappig genoeg is dit de enige expliciete vermelding van sport in de hele Bijbel. Niettemin komt sporten regelmatig voor als metafoor voor het geloofsleven en hier wordt het vooral spannend. Paulus gebruikt termen als de ‘wedloop’ en de ‘prijs’ die een atleet kan winnen als metaforen voor het leven in geloof. In 1 Korintiërs 9:4 zegt hij: ‘U weet toch dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Ren als de atleet die wint’ (zie ook Fil. 2:16; Gal. 2:2; 1 Tim. 6:12; 2 Tim. 3:16; en niet op naam van Paulus: Hebr. 12:1). Geloof is dus iets wat je moet trainen, dat blijkt uit deze metaforen.

 

Prominente aanwezigheid

Hoe komt de taal van het sporten binnen in het Nieuwe Testament als beschrijving van het leven in geloof? Er zijn twee factoren aan te wijzen die voor ons herkenbaar zullen zijn.

Allereerst is er de prominente aanwezigheid van sport in de samenleving. Dat is in onze cultuur van vandaag heel duidelijk het geval. Denk terug aan de sportzomer van 2024: het Europees kampioenschap voetbal in Duitsland, de Giro d’Italia, de Tour de France, de Olympische Spelen in Parijs en dan alle prachtige tennistoernooien, om maar een kleine selectie te noemen. In de eerste eeuw had sport een vergelijkbare functie in de samenleving. Net als nu was sport ook toen overal aanwezig. De helden van nu zijn de helden van toen: vrouwen en mannen die eindeloos trainen om een topprestatie neer te zetten.

Een tweede belangrijk aspect is het volgende: het gebruik van deze taal om het geloofsleven te duiden maakt helder dat geloof iets is om te trainen. Je moet het bijhouden, oefenen. Het is niet voor niets dat een eredienst wel bekend staat als ‘godsdienstoefening’. (Een seculier commentaar in een van de landelijke dagbladen luidde onlangs: het moet toch godsdienstbeoefening zijn? Duidelijk ingegeven door onbegrip).

 

Vroege kerk

In de vroege kerk is die gedachte van trainen en oefenen fanatiek opgepakt. Het Griekse woord voor ‘training’ is askèsis, de achtergrond van het Nederlandse woord ‘ascese’. De ascetische beweging in de vroege kerk – de beweging van geloofshelden die zich afmatten om een prominente positie als heilige in te nemen – nam hier en daar extreme vormen aan.

Een van de meest in het oog springende figuren die zich ‘oefende’ in afzien was Simon de Pilaarheilige (390-459). Hij trad in de vroege vijfde eeuw toe tot een klooster, maar kon zich daar niet handhaven vanwege zijn extreme ascetische ideaal. Vanaf 420 leefde hij in Telanissus, zestig kilometer oostelijk van Antiochië, het huidige Turkse Antakya, destijds gelegen in Syrië. Zijn leefomgeving bestond uitsluitend uit een zuil, die in de loop der jaren tot een hoogte van twintig meter uitgroeide. Simon werd een attractie voor pelgrims en zelfs keizers zochten zijn adviezen. Over deze Simon en tal van andere asceten gaan de wildste verhalen rond. De achtergrond is een hele simpele: de gedachte dat je het lichaam moet afmatten en afbeulen om de geest dichter bij God te brengen.

 

Onthechting en oefening

Decennialang op een pilaar leven is in de eenentwintigste eeuw niet direct een ideaalbeeld voor de ultieme gelovige. Evenmin is het aantrekkelijk om jezelf permanent af te matten, je lichaam te kwellen en jezelf te harden door naakt in de kou te slapen, zoals sommige andere asceten deden in de vroege kerk. Maar uit deze gedachte dat een leven in geloof training behoeft en dus lijkt op sporten zijn twee elementen voor ons vandaag wel degelijk van belang.

Het eerste punt is de onthechting van materie. Wij leven in een ongelofelijk materialistische cultuur. Een gelovig leven trainen kan baat hebben bij de gedachte dat je de materie moet loslaten en niet centraal moet stellen in het leven. Bezit is op zichzelf helemaal niet slecht, maar het is ook geen middel om dichter bij God te komen. De mate van onthechting van de asceten in de vroege kerk is misschien wat extreem, maar iets van onthechting kan voor ons heel gezond zijn.

Daarnaast is er een tweede punt: het oefenen van het geloof. Geloof is niet iets wat er zo maar is of over je komt. De taal van het geloof moet je leren spreken. Bidden moet je leren. Geloven moet je leren. In onze steeds meer individualistische cultuur is de gemeenschap van gelovigen iets om te koesteren. We leren aan en met elkaar om het leven met God te leiden. Geloven moet je oefenen, moet je trainen. Samen.

 

Bert Jan Lietaert Peerbolte

 

 

Prof. dr. L.J. Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar bijbelwetenschap aan de Vrije Universiteit, gespecialiseerd in het Nieuwe Testament en vroegchristelijke literatuur.