De naam Judas klinkt ons niet prettig in de oren. Geen vader en moeder zijn er die hun kleine kindje Judas noemen. Daarvoor is die naam te zeer belast door de drager ervan in de discipelkring van de Heere Jezus. Was Judas immers niet de verrader van Jezus?
Judas – nu blijkt er ook nog een klein bijbelboek te zijn dat die naam draagt. Een briefje dat niet erg in de belangstelling staat. Misschien omdat het ergens verscholen in een uithoek van de bijbel een plekje kreeg? In de schaduw van het heel wat imponerender laatste bijbelboek… Zou het zijn omdat het maar nauwelijks een belangrijke boodschap bevat?
Halfbroer
De praktijk toont dat dit bijbelboek in de prediking niet of nauwelijks aandacht krijgt. Tegelijkertijd erkennen we dat ook dit, zo lijkt het, onaanzienlijke geschriftje hoort tot het Woord van God. Tot dat Woord waarvan gezegd wordt: ‘Wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is. En we doen er goed aan dat we daarop acht geven als een licht dat schijnt in een duistere plaats…’
Wie was deze briefschrijvende Judas? Hij noemt zich bescheiden ‘een dienstknecht van Jezus Christus’ (vs. 1). En dat terwijl hij, evenals Jakobus, een halfbroer van de Heere Jezus was. Alle drie zonen van Maria, de moeder des Heeren.
Judas schrijft zijn brief ‘aan de geroepenen, die door God de Vader zijn geheiligd en die door Jezus Christus worden bewaard’ (vs. 1).
Wie deze geroepenen precies geweest zijn, weten we niet. En waar ze woonden evenmin. Er wordt wel gedacht aan een of meerdere gemeenten in Klein-Azië, maar het kan ook in Syrië geweest zijn. We weten dat in die tijd op veel plaatsen jonge christelijke gemeenten ontstaan waren. Misschien heeft Judas zijn brief wel geschreven in de tijd dat de gemeenten onder de druk van vervolging en verdrukking verstrooid werden. Maar ook al horen we hier niet hun namen zoals ze onder de mensen bekend waren, ze worden genoemd zoals ze bekend waren bij God: geroepenen, geheiligden, bewaarden (vs. 1).
Gedrevenheid
Wat wil Judas met zijn brief? De inleiding laat zien dat hij erg gemotiveerd is om deze brief te schrijven. Er spreekt zelfs een bepaalde gedrevenheid uit. Met alle inzet, met veel ijver zette hij zich ertoe ‘u te schrijven …’ Waarover? Over de gemeenschappelijke zaligheid.
Judas zoekt door middel van zijn brief de gemeenschap der heiligen. Hij is misschien ver verwijderd van zijn broeders en zusters die een even dierbaar geloof als hem verkregen hebben. Het zijn misschien ook heel andere mensen dan hij. Hij, een Jood. De anderen – onder hen zijn ook Joden, maar evenzeer Grieken en Galaten, Macedoniërs, Syriërs en Romeinen wellicht. Allerlei soorten mensen. Maar ze hadden iets gemeen: de zaligheid. Die zaligheid is de band die trekt. Er is een gemeenschappelijkheid die hen bindt. En Judas voelt de sterke drang om die gemeenschap ook te beoefenen. ‘Ik beijver me,’ zo schrijft hij, ‘ik wil niet anders dan dat, wat we gemeenschappelijk hebben, in verwondering met u te delen!’ (vs. 3).
Maar – en dat is de grote verrassing aan het begin van deze brief – het komt er niet van. Van het schrijven van zo’n brief. Over de gemeenschappelijke zaligheid. Misschien heeft Judas de eerste letters al op het perkament gezet. Om breed en diep te gaan schrijven over de inhoud van die zaligheid, over de weg der zaligheid, over de Bron van de zaligheid en over de heerlijkheid der zaligheid. Maar het komt er vooreerst niet van.
Sluier
Er is iets anders, waarmee hij zijn brief vullen moet. En wij weten: het is de Heilige Geest Die hem daarin leidt. O jawel, het kan goed en vertroostend zijn ... En het kan bij tijden ook nodig te zijn ... Om elkaar te wijzen op de gemeenschappelijke zaligheid. Op dat, wat ware christenen aan elkaar bindt. De gemeenschap der heiligen – ze moet zeker beoefend worden. Dat kan niet anders. Want het is een- en dezelfde Geest Die de lidmaten van Christus niet alleen aan het Hoofd verbindt, maar ze ook aan elkaar verbindt. Het hoort bij het bijbelse pastoraat dat je de ander, die een even dierbaar geloof ontvangen heeft, opzoekt, en hem of haar bemoedigt: ‘Komt, maakt God met mij groot. Verbreidt, verhoogt met hart en stem, de nooit volprezen Naam van Hem, Die ons behoedt in nood.’ Lezen we het ook niet van de apostel Paulus, dat hij moed schiep, toen hij de broeders zag!
Zo wil ook Judas het. Door middel van zijn brief. Maar het wordt hem verhinderd. Het is alsof de Heilige Geest er een sluier overheen trekt. ‘Nee Judas, hoe goed het ook zou zijn, dat zal dit keer de inhoud van je brief niet zijn. Er is iets anders waartoe Ik je aanzet om je brief mee te vullen.’ En trouw aan zijn roeping schrijft Judas het: ‘Ik word genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ (vs. 3).
Voorbeeld
Geen lofzang zal er dus allereerst klinken in Judas’ brief, maar een aanzet tot strijd. Geen vertroosting, maar vermaning. Geen met elkaar delen in de dingen van de zaligheid dit keer, maar elkaar aanzetten tot waakzaamheid. De inhoud van het geloof dat ons is overgeleverd, het pand dat ons in handen gegeven is, dat moet worden bewaard! Daar moeten we voor waken. Het is al te kostbaar om het te laten aantasten door onzuiverheid. Judas is hierin een voorbeeld. Hij gehoorzaamt aan zijn roeping. Liever had hij bemoedigende en vertroostende woorden laten horen. Maar de nood van de kudde, belaagd door binnensluipende wolven, dringt hem om op te roepen tot waakzaamheid en strijd. In het spoor van de grote Herder der schapen.
J.M.J. Kieviet, Barendrecht
Drs. J.M.J. Kieviet is emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Renswoude