Herkent u het?
Je gaat al jarenlang naar de kerk. Hoeveel preken heb je niet gehoord? Hoeveel zijn er blijven hangen? En dan, die morgen, de predikant neemt je mee in zijn preek. Je kijkt en ervaart iets, wat je niet eerder zo voelde.
God voelt dichtbij. Woorden in het gebed, komen over als balsem voor je ziel. Na het amen, het slotlied. De predikant kondigt het aan. ‘Ik bouw op U.’ Lied 124.
Het orgel begint zachtjes te spelen. Sommige registers blijven nog gesloten. Tonen buitelen, alsof ze zich nog niet helemaal willen laten gaan, over elkaar heen. Dan worden registers opengetrokken. De organist heeft moeite om op de bank te blijven zitten. Het lijf schreeuwt om loslating. Handen zweven boven de toetsen, om daarna te landen op de klavieren. Uit zeshonderd kelen klinkt het: ‘Ik bouw op U, mijn schild en mijn Verlosser.’
Duidelijk hoor je de mannenstemmen boven die van de vrouwen uit. Dit is hun taal. Hier kunnen ze wat mee.
Een vuist wordt tijdens het zingen ongemerkt gebald. ‘Sterk in uw kracht, gerust in uw bescherming,
en ga in uwe naam.’
Een vuist ontspant zich.
Bij het tweede vers, zingen de mannen iets terughoudender.
‘Gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend.
En telkens meer moet ik uw kracht verstaan.’
Je hoort nu duidelijk dat de alt- en de sopraan stemmen de boventoon voeren.
Ik luister en neem het waar.
Zie naar ‘getekende’ gezichten. Grijze haren, die vergoten tranen hebben gedroogd. Ogen, waar de glinstering uit verdwenen is. Ze weten het. Thuis is er niemand die wacht.
En toch rijst er het lied van overwinning.
Om me heen staan jongeren. Hunkerend naar wat het leven hun biedt. Een jongen blikt even naar het meisje naast hem. Ze lacht en een kuiltje tekent zich af in haar wang.
Nog eenmaal zet de organist in.
Registers worden bijgevoegd.
‘Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser.
Gij voert de strijd, de huld‘ is U gewijd.
In ’t laatste uur zal ‘k zegevierend ingaan.’
Een brok in mijn keel, schiet bijna mijn luchtpijp binnen.
Een wit gezicht verschijnt op mijn netvlies.
Gespannen kijk ik toe.
Opnieuw een korte ademhaling.
Dan blijft het stil.
Doodstil.
De laatste seconde heeft geslagen.
Ik wilde met haar meegaan.
Samen naar de overkant gaan. Zien en beleven hoe ze zegevierend inging.
In rust met U.
Als het orgel zwijgt, de handen van de predikant zich uitstrekken om de gemeente te zegenen, vloeien in mijn ogen orgelpijpen in elkaar over.
In het gangpad hoor ik iemand zeggen:
‘Het was een mooie dienst.’
Inderdaad.
Zachte orgelklanken begeleiden me op weg naar de uitgang. Een zuster naast mij neuriet met de muziek mee. In mijn hoofd vallen woorden op hun plaats.
Eenmaal als de stonde slaat… sterven gaat…in uw schoot… berg mijn ziele voor de dood.
Douwe Janssen