Het is van het grootste belang bij het denken over de kerk te kijken naar het werk van de Heilige Geest, omdat Hij de gemeente niet alleen formeert, maar ook bouwt. Op die wonderlijke manier dat er bij alle verscheidenheid een diepe eenheid is. Dat zie je als je erop let wat er op het Pinksterfeest gebeurt.
De kerk is er, zegt de Heidelbergse Catechismus (zondag 21, vraag en antwoord 54) vanaf het begin van de wereld geweest. Daarom is het te kort door de bocht om te zeggen dat de kerk met Pinksteren geboren wordt. Maar als je ziet wat er met Pinksteren gebeurt, is het zonder meer duidelijk hoe belangrijk dat is (geweest) voor de kerk. De Geest maakt levend (2 Kor. 3:6).
Intrek
Dat de Geest levend maakt zie je gebeuren op het Pinksterfeest. Er doen zich geweldige tekenen voor bij zijn uitstorting. Die tekenen roepen in herinnering wat er plaatsvond toen het volk Israël tijdens de woestijnreis bij de berg Sinaï kwam. Daar was – toen – sprake van vuur en wind: de tekenen die wezen op het komen van God tot zijn volk. Dat gebeurde daar immers: God kwam tot zijn volk. En maakte het tot zijn volk.
Datzelfde zie je gebeuren op Pinksteren. God komt tot zijn volk. Om bij zijn volk te wonen. Alleen, het is met Pinksteren rijker en dieper dan bij de Sinaï. Toen was er nog afstand. Het voorhangsel in de tabernakel (en later in de tempel) maakte het onmogelijk zomaar bij God te komen. Nu echter, na het volbrachte werk van Christus, valt die afstand weg. Het voorhangsel is gescheurd (Luc. 23:45), en de Geest komt wonen in de harten van de gelovigen.
Zo formeert God zich zijn volk, op een volstrekt nieuwe manier: door intrek te nemen in de harten van de gelovigen, zodat het waar wordt wat Jeremia al profeteerde: zij zullen Mij kennen. Niet maar op een cognitieve manier, maar kennen in de bijbelse zin van het woord: ze zullen in liefde met Mij verbonden wezen. Dat is wat er gebeurt op Pinksteren: de gemeente wordt tot leven gewekt.
Eigenheid
Als we nog wat verder inzoomen op de tekenen wordt er nog iets zichtbaar. Vooral als het gaat om de tongen als van vuur. Het is opmerkelijk. Van die tongen als van vuur wordt gezegd dat ze zich verdelen zodat het vuur zich op ieder zet. Dus: het vuur zet zich op al die mensen die daar aanwezig zijn op dat moment. De Geest legt beslag op hen allemaal.
Daarbij moeten we bedenken dat het gaat om allemaal verschillende mensen, allemaal met hun eigen identiteit en karaktereigenschappen. Daar zijn spontaan reagerende mensen bij, maar ook bedachtzame mensen. Daar zijn mensen met een optimistische kijk op het leven, maar ook met een meer pessimistische kijk. Het zijn mensen uit verschillende (ook sociale) achtergronden. Het zijn mensen met verschillende levenservaring. Het zijn jonge mensen, maar ook oude(re) mensen. Het zijn mannen en vrouwen, jongens en meisjes. Het zijn vrije mensen maar ook slaven. En noem verder alle mogelijke verschillen maar op. Waarbij ook nog eens al die verschillende namen van de landen waar ze vandaan komen iets laten zien: Parten, Meden, Elamieten en noem ze maar op, al die andere namen die in Handelingen 2 worden genoemd (2:9-11). Kortom, er was niemand die precies gelijk was aan een ander; al die mensen hadden iets eigens.
Bovendien gaat de Geest aan niemand van hen voorbij. Zij werden allen vervuld. De Geest legt beslag op al die mensen, stuk voor stuk, allemaal in hun specifieke eigenheid. De Geest – zo zegt wijlen professor J.P. Versteeg het ergens – ‘dooft het eigene van de mensen niet uit maar doet het juist opvlammen’. Hij schakelt mensen in hun eigenheid in, en bindt ze aan elkaar, waarbij het eigene er helemaal mag zijn. Want – ook dat zegt professor Versteeg heel treffend – ‘de Geest bindt ons aan anderen, maar perst ons niet in het harnas van anderen’. Als de Geest mensen in beslag neemt drukt Hij ze niet allemaal door dezelfde mal heen, zodat we allemaal exacte kopieën van hetzelfde prototype worden.
Eenheid
Dat zie je ontstaan: er is eenheid omdat de Geest al die mensen daar op Pinksteren vervult. En er is verscheidenheid. Dat is kenmerkend voor de gemeente van de Here Jezus Christus, dat die twee lijnen er tegelijk zijn: de ene Geest wordt uitgestort op al die verschillende mensen. Al die mensen mogen er zijn in wie ze zelf zijn, en met al die verschillende eigenschappen. En tegelijk, al die mensen worden aan elkaar gegeven en verbonden door de ene Geest.
Dat is het verrassende van het werk van de Geest. Hij wil iedere gelovige gebruiken met wat hem of haar eigen is. Dat maakt dat de gemeente werkelijk een grote gekleurde lappendeken is: al die verschillende mensen, in al die verscheidenheid. Maar wel in eenheid. Dat is dat andere gegeven dat zichtbaar wordt op Pinksteren: het is die ene windvlaag en het is die ene Geest die beslag legt op al die honderdtwintig mensen en die hen allen vervult.
Dit geldt dus als kenmerkend voor het werk van de Geest: Hij is niet uit op het inschakelen van losse, op zichzelf staande gelovigen die de aandacht naar zich toetrekken door wat voor opzienbarende dingen ook maar, al was het zelfs tongentaal of genezing. Neen, het is de Geest in zijn werk altijd te doen om de eenheid van de gemeente van Christus.
Het is opmerkelijk je dit te realiseren als je – op weg naar Pinksteren – dit gegeven op je in laat werken. En als je je daarbij de vraag stelt hoe wij dat vandaag in ons kerkelijk leven beleven. Het brengt mij, als ik dit schrijf, tot het gebed: ‘Heilige Geest, doe Uw werk onder ons! En leer mij mijn plek in te nemen in die gemeente die U bouwt, opdat ik, samen met al die andere mensen met wie U mij verbindt, de grootheid van mijn Here mag zien – en groot maken, en verkondigen. Tot eer van zijn Naam.’
Jan van ’t Spijker, Hoogeveen