In het vorige artikel hebben we gezien dat keizer Constantijn in het jaar 312 de overwinning behaalde op Maxentius, zijn tegenstander in die dagen. Die overwinning vond plaats bij de Milvische brug. Volgens de overlevering heeft Constantijn voorafgaande aan de strijd het teken van Christus laten aanbrengen op de vaandels van het leger en de schilden van de soldaten.
Met de dood van Maxentius was de overwinning voor Constantijn een feit. De volgende dag, 29 oktober 312, hield hij een triomftocht in de hoofdstad, Rome. Tijdens deze tocht bracht hij geen dank voor zijn overwinning aan Jupiter Capitolinus, de belangrijkste godheid in het Romeinse Rijk. Hij passeerde het Forum Romanum dus zonder aan de heidense goden eer te bewijzen. In die zin week deze triomftocht duidelijk af van de gebruikelijke triomftochten die in de achterliggende eeuwen in Rome gehouden waren.
Edict van Milaan
Opmerkelijk is dat Constantijn aan zijn collega in het Oosten, Maximinus Daia, direct na zijn overwinning een brief schreef om hem te informeren over de nieuwe situatie. In dit schrijven drukt hij hem op het hart om op te houden met zijn antichristelijke maatregelen. Maximinus Daia gaf met tegenzin toe, maar moet wel hebben begrepen dat er een belangrijke keizer naast hem aangetreden was, die hij zeker had te respecteren.
In 313 gaf Constantijn door middel van het Edict van Milaan formeel godsdienstvrijheid aan alle christenen in zijn rijk. Dit was heel snel na zijn overwinning op Maxentius. Binnen vier maanden na deze overwinning was het edict een feit. Constantijn heeft hier duidelijk haast achter gezet. Door historici wordt dit niet altijd direct gezien als een daad waarin persoonlijke geloofsovertuiging een bepalende rol speelde. Men ziet Constantijn vooral als een succesvolle militair en als een goede strateeg. Het eerste hoeft het laatste echter niet uit te sluiten.
Dat Constantijn haast maakte met het edict, kan zeker aangeven dat hij steeds meer een overtuigd christen werd. De synode in Rome in 313 en de synode in Arles in 314 volgden namelijk relatief gezien ook heel snel na de overwinning van Constantijn op Maxentius. Constantijn zelf was persoonlijk zeer geïnteresseerd in beide synodes. Hij woonde de synode van Arles zelfs persoonlijk en met veel aandacht bij.
Bouwprogramma
Zodra het christendom als religie geaccepteerd was, althans, was toegestaan, begon Constantijn met een grootschalig bouwprogramma. Dit programma kreeg een uitgebreide uitwerking in de stad Rome zelf. In deze stad waren immers zowel Paulus als Petrus gestorven en begraven. Boven de graven van beide martelaren bouwde Constantijn twee indrukwekkende kerken. In deze kerken was overigens ook ruimte voor de christelijke liturgie die haar eigen kenmerken meekreeg. In de apsis van veel kerken was namelijk een zetel voor de bisschop gecreëerd, als opvolger van de ‘zetel van Mozes’, waarop men in de synagoge zat bij het uitleggen van de Thora. Ook bouwde men altaren.
Drie andere kerken die door Constantijn in Rome werden gebouwd zijn de imposante Sint Jan van Lateranen, honderddertig meter lang en immens van afmetingen, de kerk boven het graf van de heilige Laurentius, en het mausoleum en de kerk voor zijn dochter Constantina. Constantijn bouwde bovendien de Mamertijnse gevangenis waarin Petrus en Paulus waren opgesloten geweest, om tot bedevaartkerk.
Ten slotte bouwde Constantijn nog, in 326, een indrukwekkend mausoleum voor zijn moeder Helena. Met andere woorden, Constantijn bouwde in Rome alleen al zeven indrukwekkende gedenkplaatsen voor het nog maar net maatschappelijk geaccepteerde christendom.
Vijandschap
Dat Constantijn in 324, dus in het jaar voorafgaand aan het concilie van Nicea, nog een grote militaire veldslag leverde met zijn medekeizer Licinius, is voor velen onbekend. Toch was de uitkomst van deze slag een van de redenen waarom Constantijn het concilie organiseerde. Wat was de voorgeschiedenis?
Licinius, die getrouwd was met de halfzus van de keizer, en dus ook de zwager van Constantijn was, stelde zich in het oosten van het rijk aanvankelijk positief op tegenover het christendom. Na 313 kregen kerken en individuele christenen hun eigendommen terug. Ook liet Licinius de belangrijkste medewerkers van Maximinus Daia en allerlei zieners en toekomstvoorspellers die verantwoordelijk waren voor de vervolging van christenen, terechtstellen. Dit zorgde in de tien jaar die volgden voor een expansie van de kerk in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk.
Licinius zelf werd echter geen christen, maar bleef een vereerder van Jupiter. Dit zorgde aan het eind van zijn bewind voor beslissingen die de ontwikkeling van het christendom meer schaadden dan bevorderden. Nadat reeds in 318 in Alexandrië een conflict tussen presbyter Arius en bisschop Alexander gerezen was over de godheid van Christus, een conflict dat de kerk in het Oosten in de vierde eeuw tot op het bot verdeelde, vaardigde Licinius een algemeen verbod op het houden van synodes en concilies uit, om op die manier het theologische conflict, dat zich steeds verder leek te verbreiden en voor veel verdeeldheid zorgde, te beëindigen.
Executies
In een reeks antikerkelijke maatregelen verwijderde Licinius bovendien de christenen van zijn hof en uit zijn regeringsbureaus, waarschijnlijk in 320. Vanaf 321 zou Licinius openlijk zijn vijandschap tegen het christendom hebben laten blijken. Dit werd onder meer duidelijk in de volgende christen-onvriendelijke maatregel, die door de kerkhistoricus Eusebius van Caesarea weergegeven is in zijn Kerkgeschiedenis, namelijk ‘het bevel aan alle soldaten om te offeren’.
Eusebius schildert Licinius in zijn werk onder meer daarom zelfs af als een actieve christenvervolger. Hij vermeldt de wrede executies van bisschoppen in Pontus, waar ook enkele kerken werden afgebroken en andere gesloten werden, terwijl er volgens hem ook stadhouders waren die op eigen gezag bisschoppen lieten arresteren en executeren, waardoor veel christenen de wijk namen naar andere gebieden, zoals dit gebeurde bij eerdere vervolgingen.
We dienen bij al deze veranderingen ten nadele van de christenen in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk te bedenken dat Licinius zijn oorspronkelijke geloofsovertuiging nooit heeft laten varen. Hij bleef Jupiter vereren, nu met extra uitvoerige rituelen, speciaal op de heilige heuvel even buiten Nicomedia, een heuvel die vol was met herinneringen aan christenhaters als keizer Diocletianus en Galerius. De oostelijke keizer werd door menigeen, vooral door filosofen, gezien als de laatste verdediger van de oude goden en door veel christenen als de laatste vijand van de ware godsdienst. Henk Singor, die een grondige studie schreef over Constantijn, merkt hier nuancerend over op: ‘We weten eigenlijk niet goed of Licinius zichzelf ook oprecht in die rol zag, maar zeker is dat hij als vanzelfsprekend profeten en waarzeggers raadpleegde, speciaal Egyptische, die aan de verschillende in zijn rijk nog altijd populaire Sarapisheiligdommen verbonden waren.’
Marten van Willigen, Apeldoorn
Prof. dr. M.A. van Willigen is hoogleraar exegese vroege kerk aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn