In het vorige artikel is aangegeven dat synodes in de zestiende eeuw zich uitspraken tegen orgelgebruik tijdens de kerkdiensten, ook al waren er accentverschillen te vinden. Hoe kan het dan het instrument toch zo’n prominente plaats inneemt in het kerkelijk leven? In dit artikel wordt iets gezegd over de ontwikkelingen in de zeventiende eeuw.

 

In Nederland werden de psalmen tijdens de kerkdienst onbegeleid gezongen. Een voorzanger, vaak de plaatselijke schoolmeester, had hierover de leiding. Er zijn veel berichten over de muzikaal chaotische toestanden die dit soms kon opleveren.

 

Franeker

Vooral grote stadskerken en enkele dorpen beschikten in de jaren rond 1600 over een orgel. Waar en wanneer het voor het eerst precies gebeurde, is niet bekend, maar vast staat dat rond 1630 steeds meer mensen ervan overtuigd raken dat het orgel zou kunnen helpen de gemeentezang in goede banen te leiden.

Tijdens de provinciale synode van Franeker in 1630 wordt hierover gesproken. Hier komt de vraag aan de orde of, wanneer het orgel klinkt tijdens de gemeentezang, hiervan niet eerst de ‘gantsche kercke’ in kennis gesteld moet worden of om toestemming moet worden gevraagd. Men besluit de begeleiding toe te staan, zolang het niet leidt tot ontstichting.

Elders is te lezen dat de gemeentezangbegeleiding in 1628 werd ingevoerd in de stad Groningen. Niemand minder dan de theoloog Hendrik Alting, een zoon van kerkhervormer Menso Alting, zou hiervoor verantwoordelijk zijn geweest.

In het gewest Holland wordt de gemeentezangbegeleiding ingevoerd in Delft (1634), Leiden en Purmerend (1636), Dordrecht (1638) en Gouda (1639). Strikt genomen gingen de kerken hiermee in tegen besluiten van de nationale synodes van Dordrecht (1578) en Middelburg (1581), maar het is duidelijk dat de orgelkwestie geen halszaak was. De particuliere synode van Delft noemde de orgelbegeleiding een ‘middelmaetige saecke’ (middelmatige zaak), waarmee werd bedoeld dat het een discussiepunt was dat niet de geloofsleer betrof, en waarin men kon vertrouwen op het oordeel van plaatselijke kerkenraden.

 

Campagne

Plaatselijk kon er inderdaad nogal verschillend over het orgel gedacht worden. Constantijn Huygens, de machtige secretaris van prins Frederik Hendrik, was erbij toen de prins in november 1640 ter kerke ging in de Groninger Martinikerk. Huygens beleefde daar voor het eerst wat het is om met een grote gemeente samen te zingen bij het orgel. In de hoop dat ook zijn woonplaats Den Haag de stap naar orgelbegeleiding zal maken, besluit hij er campagne voor te gaan voeren. Hij publiceert er een boekje over, vraagt allerlei invloedrijke personen wat ze ervan vinden en publiceert vervolgens ook hun reacties. Bovendien is Huygens betrokken bij de bouw van een orgel in de hofkapel van de prins - een orgel dat de samenzang zal begeleiden.

De reacties op Huygens’ campagne zijn overwegend positief. Toch is er een aantal predikanten dat hem van repliek dient. De bekendste onder hen, de Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676), verdedigt de stelling dat het orgelspel niet thuishoort binnen de dienst. Net als de synode van 1574 verwijst hij naar 1 Korintiërs 14, maar zeker net zo belangrijk is zijn houding ten opzichte van het polyfone, het ‘tekstvervangende orgelspel’(zie het eerste artikel 1). Het lijkt er echter op dat Voetius, anders dan Huygens, de sensatie van samenzang rond het orgel nooit ‘aan den lijve’ heeft ervaren. Oneerbiedig gezegd: misschien wist Voetius niet precies wat Huygens bedoelde, toen hij zich tegen de gemeentezangbegeleiding te weer stelde. Hoe dan ook, zeker is dat meningsverschillen over de rol van het orgel onder theologen nauwelijks prioriteit kregen. Andere zaken waren veel belangrijker, zoals de strijd tegen de remonstranten of tegen de nieuwe filosofie van René Descartes. Zelfs de ‘strengere’ theologen lijken er steeds voor gekozen te hebben het orgelspel niet tot centraal strijdpunt te maken.

 

Sleutelrol

Hoewel er onder theologen wel tegenstand ten opzichte van het orgelgebruik kon bestaan, is het ook opvallend dat er veel voorbeelden zijn van predikanten die zich juist inzetten voor het instrument. Vooral in de noordelijke provincies is dat het geval. Een sterk voorbeeld is het orgel in Zeerijp, waar de naam van de predikant op het orgel is aangebracht. Uit archiefstukken blijkt dat hij een organiserende rol speelde tijdens de bouw, en bij een collega in Groningen bovendien nog een lening afsluit om het project financieel mogelijk te maken. Nog opvallender is wel het feit dat dit instrument werd gebouwd door een orgelmaker die was opgeleid tot theoloog, maar die kennelijk toch een ander carrièrepad voor zich zag.

Het samengaan van gemeentezang en orgelspel zal in de navolgende periode uitgroeien tot hét onderscheidende kenmerk van reformatorische liturgie. In dat proces blijft er een sleutelrol weggelegd voor de predikanten. In het volgende en laatste artikel zal het gaan over de vraag hoe predikanten het orgelspel verdedigden op grond van de Bijbel.

 

Jaap Jan Steensma, Culemborg

 

Dr. J.J. Steensma is orgeladviseur (orgeladvies.nl), adviseur Cultureel Erfgoed van de Stichting Dioraphte en geassocieerd onderzoeker aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.