In het vorige artikel is aangegeven hoe predikanten en theologen in de zeventiende eeuw spraken over het gebruik van het orgel in de erediensten. Ook is Christiaan Huygens genoemd. Hoewel er tegenstand ten opzichte van het orgelgebruik kon bestaan, zijn er veel voorbeelden van predikanten die zich inzetten voor het instrument. In dit laatste artikel van deze korte serie wordt iets gezegd over de ontwikkelingen in de achttiende eeuw.

 

Voor de meeste kerkgangers is het orgel een instrument dat nu eenmaal bij de kerk hoort. Toch is het interessant om te kijken naar de bijbelse argumenten waarmee het orgelgebruik in vroeger eeuwen werd ingevoerd. Wat er in de kerkdienst gebeurde, moest immers gebaseerd zijn op wat de Bijbel daarover zegt. Een van de kernuitspraken van de Reformatie is sola scriptura (alleen de Schrift).

Het orgel wordt in sommige psalmberijmingen of bijbelvertalingen wel genoemd, maar ook de vertalers wisten best dat het moderne orgel in de tijd van de Bijbel nog helemaal niet bestond. Dus hoe werd het orgelspel dan verdedigd?

 

Orgelinwijdingen     

In de achttiende eeuw werd het gebruikelijk om het gereedkomen van een nieuw orgel te markeren met een bijzondere kerkdienst, meestal ‘inwijding’ genoemd. Tijdens zo’n dienst sprak de predikant over een toepasselijke bijbeltekst, terwijl de liturgie werd omlijst door bijzondere manieren vormen van kerkmuziek: vormen van wisselzang, het gebruik van andere liederen, of het inschakelen van koren, solisten en instrumentalisten. Uit de vele berichten van deze inwijdingen wordt duidelijk dat het orgel meer en meer werd omarmd, zowel door orthodoxe als door meer liberale protestanten. Opvallend is dat er ook veel inwijdingen plaatsvonden in regio’s waar protestanten in de minderheid waren. Voorbeelden zijn orgelprojecten in garnizoenssteden in het tegenwoordige België, in Limburg en Noord-Brabant, of zelfs in Suriname, Zuid-Afrika of op Caribische eilanden. Ook blijken inwijdingen vaak aangegrepen te worden om de politieke standplaats te onderstrepen, bijvoorbeeld de verbintenis die kerken voelden met de stadhouderlijke familie.

 

Bewaard gebleven preken

Van de preken die bij orgelinwijdingen werden uitgesproken, zijn uit de periode tot 1800 bijna dertig bewaard gebleven. De oudste van deze preken is ook meteen de langste. Deze preek werd uitgesproken in 1732 te Maassluis, tijdens de ingebruikname van het beroemde Garrels-orgel.

Predikanten legden in hun preken de nadruk op het belang van de lofprijzing. Die opdracht mag niet verwaarloosd worden en het begeleiden van de gemeentezang kan helpen bij een ordelijk verloop van de gemeentezang. In de Bijbel is te lezen dat het ordelijk verloop van een samenkomst belangrijk is (1 Kor. 14: 33-40). Bovendien kan het orgelspel helpen de gelovigen op te wekken tot lofprijzing met heel het hart. Lofprijzing waarbij niet het hele hart betrokken is, is God immers een gruwel (Amos 5:23).

Een tweede argument dat predikanten graag gebruikten, was het gebruik van muziekinstrumenten in het Oude Testament. Predikanten die dit onderwerp aansneden, hadden in hun preek wat extra werk te doen. De reden is dat tegenstanders in de oudtestamentische muziekinstrumenten namelijk juist een bevestiging zagen van hun standpunt dat het orgel niet gebruikt zou moeten worden. Het gebruik van muziekinstrumenten viel volgens hen onder de Joodse tempeldienst, die zij beschouwden als een voorafschaduwing van het volmaakte offer in Jezus Christus. De Joden hadden muziekinstrumenten nodig, zoals zij offers nodig hadden. De kerk van het Nieuwe Testament is dat stadium ontgroeid, zo was de gedachte.

Tijdens orgelinwijdingen stellen predikanten daartegenover dat het gebruik van muziekinstrumenten de wetten van Mozes overstijgt. In Psalm 69:31-32 is bijvoorbeeld te lezen dat de lofzang God liever is dan een (offer)stier of -rund. Ook kan erop gewezen worden dat het woord psalm ‘lied met begeleiding van de lier’ betekent. Als Paulus het heeft over ‘psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’, dan vallen daar dus ook de liederen onder die worden gezongen met behulp van muziekinstrumenten. Een andere predikant wijst erop dat er met liederen ‘geestelijke liederen’ ook nieuwgemaakte liederen bedoeld worden, liederen die niet in de Bijbel voorkomen. God kan dus ook aanbeden worden met muziekinstrumenten die in de Bijbel niet voorkomen, zo is dan de redenering.

 

Luisterrijk

Een laatste argument waarmee het orgelgebruik in de kerken gepromoot wordt, is het feit dat orgels er in de zeventiende en achttiende eeuw vaak prachtig uitzagen. Een bijbeltekst die hierop wel werd toegepast, is: Geprezen zij de HERE, de God onzer vaderen, die de koning zulks in het hart gegeven heeft, om het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, luisterrijk te maken (Ezra 7:27). De tekst sluit ook goed aan op het feit dat orgels geregeld werden betaald door welgestelde en machtige personen - vaak mensen van adel. De bouw van een kerkorgel mocht niet worden gezien als hun verdienste, maar, zoals bij Ezra het geval is, het werd hen door God in het hart gegeven.

 

Tot slot: het orgel is een overblijfsel van rooms-katholieke gebruiken. Al voor de Reformatie was er kritiek op het orgelgebruik. Verschillende reformatoren namen die kritiek over. In Nederland bleef het instrument echter gewaardeerd worden, ook al klonk het op de meeste plekken alleen vóór en na de dienst. Stadsbewoners waren trots op hun instrumenten, en voor velen had het kunnen beluisteren van psalmen betekenis. Als het orgel vanaf ca. 1630 gebruikt wordt voor de gemeentezangbegeleiding, komt het initiatief vaak van predikanten en kerkenraden. Als nieuwe orgels in de achttiende eeuw ook officieel ‘ingewijd’ gaan worden tijdens bijzondere kerkdiensten, dragen predikanten bovendien Bijbelse argumenten aan om het gebruik van het instrument - dat in bijbelse tijden nog niet bestond - toch te verdedigen op grond van de Schrift.

 

Jaap Jan Steensma, Culemborg

 

Dr. J.J. Steensma is orgeladviseur (orgeladvies.nl), adviseur Cultureel Erfgoed van de Stichting Dioraphte en geassocieerd onderzoeker aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.