Woedend zijn ze. Woest. De farizeeën en de andere geestelijke leiders van het volk van Israël. Al maanden volgen hun spionnen die rabbi Jezus uit Nazaret met zijn leerlingen. Vandaag is er weer een incident. In de tempel. Hún tempel. En dat tijdens het feest van Loofhutten.
Op de eerste avond van het Loofhuttenfeest steken de priesters grote kandelaars en schalen met olie aan in de tempel. Het vuur hiervan zet het enorme complex van hun tempel in een feestelijk licht. Dat licht in de tempel is voor de gelovige Israëliet het symbool van de vuurzuil, het licht dat hun voorouders in de nacht is voorgegaan op hun reis door de woestijn. Die vuurzuil, dat licht in de duisternis is … God Zélf. Hij wijst het volk van de Israëlieten de weg naar het land dat Hij hen heeft beloofd. Hij is het Licht dat hen voorgaat!
Dat is vele generaties terug. De mensen in de tijd van Jezus denken: ‘Onze tempel, dat is de plaats waar God nú woont. Hier moeten de mensen naar toe komen om God – het Licht - te ontmoeten. Onze tempel … dat is het licht voor de wereld!’ Begrijp je nu hoe woedend de geestelijke leiders van Israël op die rabbi uit Nazaret zijn? Juist op déze plek, de plek waar de kandelaars en de vuren zijn aangestoken, zegt Jezus: Ík ben het licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft het licht dat leven geeft (Joh. 8:12). Of met andere woorden: ‘Zoals God in de woestijn het licht was voor het volk van Israël, zo ben Ik nu het licht dat leven geeft aan iedereen.’