Kerk en overheid hebben een belangrijke taak in de samenleving. Maar hoe moet hun onderlinge verhouding zijn? Met die vraag heeft dr. A. A. van Ruler (1908-1970) zich sterk beziggehouden. Hij was een invloedrijk hervormd theoloog en had uitgesproken ideeën over de verhouding tussen religie en politiek. Daarover heeft dr. J. P. de Vries (1940) een bijzonder waardevolle studie geschreven.

Het evangelie heeft een stempel gedrukt op onze westerse cultuur, zichtbaar in kerken, kerkgang, de zondag, christelijke feestdagen, het afleggen van de eed bij plechtige gelegenheden en in vele christelijke rituelen en symbolen. Ons land heeft eeuwenlang een middelpunt gehad waarin het heil in Christus werd bewaard en beleefd. God wil dat elk land zo'n middelpunt heeft en dat daaromheen het menselijk samenleven zich ordent naar zijn geboden. Het proces waarin dat meer en meer gebeurt draagt de naam 'kerstening'. Daardoor wordt een samenleving een gestalte van het koninkrijk van God. Van Ruler zag als in een visioen deze regering van God. Hij sprak in dit verband van theocratie.

 

Voorlopig

Gods regering in de samenleving is echter niet altijd goed zichtbaar. Soms zelfs helemaal niet. Toch kan ze ook dan aanwezig zijn. Uiteindelijk is ze een zaak van geloof. Van Ruler wijst erop dat God ook regeert via datgene wat wij gewoon en natuurlijk vinden: de arbeid van een ijzerbewerker, de drooglegging van een polder, de scheepvaart in de haven van Rotterdam en de handel op de beurs van Amsterdam.

Van Ruler zag hoe Gods regering verder zou kunnen doorwerken. In de grondwet zou een verwijzing naar de Bijbel moeten staan, de overheid zou van ambtenaren moeten kunnen vragen dat zij naar de kerk gaan, afgevaardigden van de kerk zouden zitting moeten hebben in overheidsorganen, zoals de regering van het land, het dagelijks bestuur van de provincie en het college van burgemeester en wethouders. Godonterende krachttermen zouden door de overheid verboden moeten worden. Ook op andere manieren zou de gestalte van het koninkrijk van God duidelijker moeten worden. Zijn droom is een staat met de Bijbel, en dan met name een staat gesneden op de leest van de Reformatie.

Wat dat betreft was Van Ruler echter niet altijd even optimistisch gestemd. Hij werd steeds somberder over de doorwerking van het evangelie in onze samenleving. Na 1945 had de verhouding tussen staat en kerk volgens hem meer weg van een echtscheiding dan van een huwelijk. Maar daardoor raakte hij niet in verwarring. De volkomen realisering van het koninkrijk van God op aarde blijft een onbereikbaar ideaal.  Elke gestalte van dat koninkrijk is voorlopig. Die gestalte zal pas volmaakt zijn wanneer het rijk van God in heerlijkheid komt. Dan is de tijd van de kerk en de verlossing in Christus voorbij. Die tijd is slechts een intermezzo, een tussenspel tussen wat God eerst is begonnen met het oude Israël en wat Hij in heerlijkheid schenkt bij de definitieve komst van zijn rijk. Christus was 'een noodmaatregel' om die komst mogelijk te maken. Het gaat uiteindelijk om het toekomende koninkrijk.

 

Overheid

Volgens Van Ruler moet de overheid het rijk van Christus op aarde bevorderen. Deze taak kan zij echter alleen maar uitoefenen wanneer zij luistert naar de kerk die haar het woord van God voorhoudt. De kerk heeft samen met de overheid een cruciale rol in de ordening van de samenleving. Daarom heeft de theocratie twee brandpunten: kerk en staat. Beide hebben een eigen taak in het brengen van de samenleving onder de heerschappij van Christus. De taak van de staat ligt daarbij met name op het gebied van het tegengaan en inperken van de doorwerking van de zonde in de samenleving. De taak van de kerk ligt met name op het terrein van de waarheid van het evangelie. Ze moet de samenleving leiden via het profetische woord dat zij spreekt, maar ook via de kerkelijke tucht en de belijdenis van de waarheid van het evangelie. De kerk doet dus meer dan getuigen. Zij moet overheid en staat leren wat de betekenis van de dingen is die er werkelijk toe doen. Goed onderwijs daarin biedt het Oude Testament.

Van Ruler vindt dat de kerk de betekenis van het Oude Testament onderschat. Daarin is alles al gezegd wat we moeten weten. Met dit boek onder de arm gingen de apostelen de wereld in. Het Nieuwe Testament is slechts een verklarend woordenlijstje achterin. God heeft met name via het oude Israël en de regering van de davidische koningen laten zien dat Hij het aardse bestaan opeist en regeert. Het Oude Testament leert ons ook dat een volk een geheel is en als zodanig God moet dienen. Israël is wat dat betreft een model voor alle tijden. In heel het politieke en maatschappelijke leven van een volk moet Gods naam centraal staan. Dat maakt het Oude Testament bekend en dat is zijn meerwaarde boven het Nieuwe Testament. In Christus is de gedachte van de 'heiligbaarheid' van het aardse bestaan van kracht geworden voor alle volken. Op grond hiervan voelde van Ruler weinig voor aparte christelijke organisaties. Deze organisaties doen volgens hem te kort aan de eenheid van een volk.

 

Godsdienstdwang

De theocratische gedachten van Van Ruler zijn inspirerend. God wil heel de samenleving regeren. Over de doorwerking van zijn gezag mogen we niet gering denken. Toch zijn er ook punten bij Van Ruler die aarzeling oproepen. Dat heeft voor een deel te maken met zijn manier van denken en schrijven: tastend, zoekend en experimenterend. Maar er is meer aan de hand. Van Ruler stelt bijvoorbeeld dat de overheid haar zwaard kan inzetten voor de waarheid van het evangelie. Dat gaat te ver, omdat het onherroepelijk leidt tot godsdienstdwang. Terecht stelt De Vries dat God bij de uitbreiding van zijn rijk niet door kracht noch door geweld werkt, maar door zijn Heilige Geest.

Niet alleen overschat Van Ruler de rol van de overheid in geestelijke zaken, maar ook de rol van de kerk in wereldlijke zaken. Het is zonder meer waar dat de kerk een woord voor de wereld heeft, maar zij zal daarbij geen gebruik mogen maken van wereldlijke macht. Het Nieuwe Testament geeft daarvoor geen aanknopingspunten. Van Ruler heeft het eigen karakter van de nieuwtestamentische bedeling ten opzichte van de oudtestamentische bedeling onvoldoende in rekening gebracht.

De Vries, die vorig jaar op deze studie gepromoveerd is aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, schrijft niet alleen over de fundering en uitwerking van het theocratisch visioen van Van Ruler, maar ook over de invloed die deze theoloog heeft ondergaan, hoe zijn tijdgenoten op zijn gedachten hebben gereageerd en wat de doorwerking van zijn visioen is geweest in kerk en politiek. Hij moet concluderen dat Van Rulers onderbouwing van zijn theocratisch visioen onvoldoende is. Wat hem echter aanspreekt is diens positieve waardering van het aardse werk van de Schepper, zijn eerbied voor de overheid als dienares van God en zijn liefde voor het volk waarvan hij graag wilde dat het als geheel God zou dienen.

De Vries is jarenlang hoofdredacteur geweest van het Nederlands Dagblad en ook enkele jaren senator in de Eerste Kamer voor de ChristenUnie. Hij heeft met zijn proefschrift een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek naar de verhouding tussen religie en politiek in de vorige eeuw.

 

Feanwâlden
D. J. Steensma

Naar aanleiding van: J. P. de Vries, Een theocratisch visioen. De verhouding van religie en politiek volgens A. A. van Ruler. Boekencentrum Academic, Zoetermeer 2011; 354 blz.; ISBN 978 90 239 2612 2; prijs € 29,90.


Commentaar

  • Op weg naar de GS 2024-06-15 10:09:55

    Als dit kerkblad verschenen is, is het bijna zover dat de Generale Synode bijeen komt in...

  • Genoeg is genoeg! 2024-06-02 12:35:18

    Na een verjaardag waarbij de hele familie gezellig langs is gekomen en iedereen gezellig is en...

  • Pinksteren 2024-05-17 18:03:28

    In dit nummer van het Kerkblad wordt speciaal ingegaan op Pinksteren. De uitstorting van de...

  • Wereldverbeteraars 2024-05-03 13:31:31

    Wereldverbeteraars Met zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ (2019), heeft Rutger Bregman zijn...