Ieder die gelooft, heeft zijn eigen gedachte over God en zijn manier van handelen. Die gedachte krijgt ook al in de kinderjaren enige vorm, doordat je leert hoe je de HERE God aanspreekt, wat je van Hem mag verwachten, en hoe Hij Zich bekendmaakt.

 

Mensen hebben verschillende godsbeelden: God als de ontzag- en vreeswekkende, een vriend met wie je vertrouwelijk omgaat, een weldoener die goede dingen doet en succes garandeert, een afstandelijke god hoog daarboven, een god die in heel de werkelijkheid aanwezig is en alles doordringt, een god die met deze wereld meelijdt, een vaderfiguur of juist niet. Zo heeft ieder zijn eigen voorstelling. Deze voorstelling is mede gevormd door de ervaring die je hebt opgedaan in je leven. Positieve ervaringen met je ouders en met mensen in de kerk spelen een rol in dat vormingsproces, maar ook negatieve ervaringen.

Het is eigen aan ons dat we een godsbeeld hebben. Niemand leest de Bijbel blanco. Niemand bidt blanco tot God. Niemand gaat blanco naar de kerk. We hebben allemaal een bepaalde gedachte over God, bewust of onbewust. Maar de HERE wil niet dat wij daaraan vasthouden en dat koesteren. Voortdurend moeten we openstaan voor correctie van dat beeld door zijn Woord.

 

Neiging

Het tweede gebod in de decaloog luidt: U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden in acht nemen (Ex.20,4-6; vgl. Deut.5,8-10).

Dit gebod heeft God gegeven omdat Hij ons kent. Hij weet hoe gemakkelijk wij onze godsdienst zélf gaan invullen. Dan maken wij als mensen een voorstelling van een hogere macht (want er is toch meer tussen hemel en aarde?) en gaan daar vervolgens op vertrouwen. Zo gaan we dan ook vertrouwen op onze eigen voorstelling van de HERE God. We willen van nature een god dienen die bij ons past, en die wij acceptabel vinden. We willen deze god dan ook dienen op de manier die wij zelf wensen. Deze diep menselijke neiging steekt telkens weer de kop op.

Daar staat het tweede gebod tegenover. Daarin eist Hij dat we – zoals de Heidelbergse Catechismus zegt – Hem op geen enkele wijze afbeelden en op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft (HC 35). De reden voor dit gebod is duidelijk. Als wij de HERE God op onze eigen manier gaan dienen, leidt dat uiteindelijk tot het dienen van een andere god, namelijk de god waarvan wij ons zelf een voorstelling hebben gemaakt.

 

Kalf

Een bekend voorbeeld van een dergelijke beeldendienst is de dienst van het oude Israël aan het gouden kalf bij de berg Sinaï. De Israëlieten wilden zich een voorstelling maken van de god die hen uit Egypte had geleid. Ze wilden hun God zien, zoals ook de Egyptenaren hun goden zagen, en hadden blijkbaar niet genoeg aan het woord van God dat via Mozes tot hen was gekomen, en aan de tekenen die Hij had gedaan. Hij had zijn volk door de Schelfzee geleid, en op de tocht door de woestijn van manna voorzien. Hij had bevrijding beloofd, en die bevrijding daadwerkelijk gegeven. Maar de Israëlieten wilden meer dan alleen beloften en tekenen waarmee die beloften waren bevestigd.

Daarin zien we een heel menselijke trek. Vertrouwen op een belofte kan moeilijk zijn, vooral als de bemiddelaar van deze belofte niet (meer) bij je is. Mozes was op de berg. Het volk was alleen aan de voet van de berg, en verlangde méér dan een kale belofte. Het klampte zich aan Aäron vast en drong er bij hem op aan voor hen goden te maken. Daarop liet hij een gouden kalf maken, en de mensen riepen dat dit hun god was die hen uit Egypte had bevrijd. Aäron bouwde een altaar en verklaarde: 'Morgen is er feest voor de HERE!'

Hoe de HERE daarover oordeelde, werd al snel duidelijk: het volk moest worden uitgeroeid. Dat was niet omdat iedereen van nature zich een bepaalde voorstelling van Hem maakt, maar omdat die eigen voorstelling welbewust wordt vereerd.

 

Gans Andere

Daartegenover staat de wil van God, die de gans Andere is. Hij is de levende God, die spreekt en zijn belofte geeft. Zó wil Hij worden gediend, door een volk dat vertrouwt op zijn belofte. Hij vraagt geloof, dat zich hecht aan zijn woord en zich daarnaar richt. 'Aanschouwen' is niet iets van deze bedeling (voor de jongste dag aanbreekt). Dat komt pas als je je bestemming hebt bereikt. Hoezo zou je eigenmachtig daarop vooruitgrijpen? Eerst moet je de smalle weg van het geloof gaan en vertrouwen op zijn woord! De belofte is dan dat je dan uiteindelijk mag zien. Uit de geschiedenis van Israël bij het gouden kalf blijkt hoe zwaar God oordeelt over ongeloof, over niet-vertrouwen op zijn belofte.

De zonde met het gouden kalf was overigens geen incident. Dat bleek in de tijd van koning Jerobeam, de eerste koning van het tienstammenrijk, nadat Israël onder Rechabeam was uiteengevallen in een tienstammenrijk en een tweestammenrijk. Jerobeam was bang dat de Israëlieten zouden afreizen naar Jeruzalem, de hoofdstad van het tweestammenrijk, om daar God te gaan dienen. Daarom liet hij twee gouden kalveren maken. Een van die kalveren liet hij plaatsen in Dan, en de andere in Betel. 'Dit werd een oorzaak tot zonde' (1Kon.12,30a).

(wordt vervolgd)

D.J. Steensma, Feanwâlden


Commentaar

  • Zien we het wel? 2020-11-27 18:49:24

    Dat is de vraag die ik me stel als ik om me heen kijk naar wat er in de samenleving van vandaag...

  • Opbouw 2020-11-13 18:03:23

    Ook al heeft ons kerkblad qua vorm en lay-out een metamorfose ondergaan, de doelstelling is gelijk...

  • Solidariteit 2020-10-30 18:03:10

    Meestal kan ik gemakkelijk relativeren en wind ik me niet te veel op. Maar er zijn ook momenten...

  • Week tegen de eenzaamheid 2020-10-23 17:01:52

    Je hebt al een tijdje wat vage klachten. Je been sleept wat, je vergeet steeds vaker waar je iets...