Judas - het was zijn eerste voornemen een opbouwende brief te sturen. Maar hij weet zich van Godswege gedrongen andere dingen te schrijven dan hij eerder van plan was. Niet zozeer vertroosting, maar vooral vermaning.
Ik kan me voorstellen dat hij nu maar liever zijn pen had neergelegd. Als hij met de ‘geliefden’ niet delen mag wat er op zijn hart ligt, namelijk ‘de gemeenschappelijke zaligheid’ (3), het heil in Christus, dan liever maar een poosje stil zijn. Niet spreken, maar zwijgen … Maar dat is Judas’ roeping niet. Hij moet vermanen en oproepen. Tot wat? Tot strijd. Namelijk vanwege ‘het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’ (3). De statenvertalers gaven in hun kanttekening hierbij als uitleg: ‘Dat is: de zuivere leer des Evangelies, om die te behouden en daarvan niet af te wijken; dat die niet veranderd zal worden, maar altijd blijven, zoals zij eens door Christus en de apostelen geleerd is.’
Verontwaardiging
Als Judas verder schrijven gaat, blijkt dat de nood van de gemeenten op zijn hart gebonden is. Wat is het geval? Er zijn mensen de gemeente binnengeslopen van wie niet veel goeds te verwachten valt. Ze hebben zich via de achterdeur toegang verschaft. Stiekem hebben ze zich in de gemeente ingenesteld. ‘Mensen’ noemt Judas hen. Niet: broeders, of heiligen. ‘Mensen’ – ze zijn te onderscheiden van de ware kinderen van God.
Wat is het doel van die mensen? Ze hebben de weg van de duisternis gekozen om de werken der duisternis te doen. Wie eerlijk is, hoeft niet te sluipen. Wie iets verkeerds wil doen, die kiest sluipwegen. Wel, met dat doel zijn ze binnengekomen. Ze willen het licht verdrijven en de gemeente in de duisternis zetten. Ze willen afbreuk doen aan het werk van de Heere. En ze willen dat heel subtiel, bijna ongemerkt doen. Zo is hun werkwijze.
In zijn tweede zendbrief schrijft de apostel Petrus over valse leraars die verderfelijke ketterijen bedekt willen invoeren. Zo doen ook de dwaalleraars op wie Judas hier doelt. Ze hebben de genade van God veranderd in ontucht, schrijft hij (4). Daar moeten we niet gering over denken. Is er een groter tegenstelling denkbaar? Genade is altijd onverdiende genade. Genade die geschonken wordt. Genade die de Heere onverplicht geeft. En dan – met een beroep op die genade kiezen voor een leven in ontucht. Met een interpretatie van het Woord van God die tegelijkertijd afwijkt van de diepste intenties van dat Woord van God. Zo wordt dus Gods genade, die men meent ontvangen te hebben, aangegrepen als een vrijbrief om te zondigen. Dan verandert men de vrijheid in Christus in een vrijheid om naar het vlees te leven. Is het een wonder dat in de woorden van Judas verontwaardiging doorklinkt? Het bederf van het beste is het slechtste.
Verloochening
Judas signaleert overigens nog een andere afwijking. Hij wijst erop dat er zijn ‘die de enige Heerser, namelijk God, en onze Heere Jezus Christus verloochenen’ (4). Dat is een zware zonde: God en de Heere Jezus Christus verloochenen. Opmerkelijk – Judas noemt Christus hier ‘Heerser’. Hij duidt Hem aan als Degene Die macht heeft zoals een heer gezag heeft over zijn slaven. Dat is de vergelijking. Hoe heeft Judas zichzelf zojuist genoemd? ‘Een dienstknecht, een slaaf van de Heere Jezus Christus’ (1). Dat is hij geworden door genade. Maar daarvóór wilde hij zich niet onderwerpen aan het gezag van Jezus als de Zoon van God. En nu ziet hij eenzelfde verschijnsel in de christelijke gemeente. Dat de mensen zich weigeren te onderwerpen aan de Heere. Dat ze misschien wel óver Hem spreken. Dat ze keurig en ijverig zijn. Maar dat ze weigeren Zijn dienaren te zijn, uitkomend in een leven in Zijn dienst en in de waarachtige vreze van Zijn Naam, in een leven van ware bekering. Met steeds weer de vraag: wat wilt U dat ik doen zal?
Vergelijkingen
Wie deze brief van Judas doorleest, stuit op tal van heftige vergelijkingen. Judas, is de situatie werkelijk zo erg, dat je niet alleen moet verwijzen naar Kaïn, Bileam en Korach – mannen die we kennen als ernstige overtreders van Gods gebod? En dat je niet alleen in herinnering brengt het ongehoorzame volk in de woestijn, en de verdorven inwoners van Sodom en Gomorra? Maar dat je in dit verband zelfs de afvallige engelen noemt, ‘die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun woonplaats verlaten hebben’. Een vergelijking dus met de duivel zelf, die ‘Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaart’ (6). Judas overdrijft niet. Degenen die zich daartoe laten verleiden, noemt hij waterloze wolken, door de winden heen en weer gedreven; bomen in de late herfst, zonder vrucht, tweemaal gestorven en ontworteld; wilde golven van de zee die slechts schuim produceren; dwaalsterren, voor wie de diepste duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt (12-13).
Is dit alles nog opbouwend te noemen? Het lijkt eerder een aaneenrijging van duistere typeringen en kwaadwillige verwensingen. Wat moeten we met zo’n brief? Terecht, zo denken we misschien, dat dit epistel van Judas in de praktijk van het kerkelijk en gemeentelijk leven nauwelijks uit de schaduw komt. En toch zal ik, en zullen alle ambtsdragers en gemeenteleden, zich voor deze spiegel moeten stellen. ‘Ben ik het, Heere? Kan het zijn dat ik er aanleiding toe geef dat het geloof, eenmaal aan de heiligen overgeleverd, schade wordt aangedaan?’
Hoe het ook zij, het laat ons zien dat de Heere de aantasting van Zijn Woord en het in gevaar brengen van Zijn gemeente zwaar opneemt. We kunnen er niet onderuit om te erkennen dat Judas dit alles schreef, aangedreven door de Heilige Geest. Judas vlucht niet weg van de plicht om dit alles in ernst en bewogenheid onder de aandacht te brengen van zijn medechristenen. De drijfveer van deze onderherder was het behoud van de kudde en de eer van de grote goede Herder. Het was hem op het hart gebonden. Zou het echt verkeerd zijn wanneer wij hieraan anno 2026 een voorbeeld zouden nemen?
J.M.J. Kieviet, Barendrecht
Drs. J.M.J. Kieviet is emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Renswoude



