Als wij denken aan de vroege kerk in Afrika, komen we algauw terecht bij de christelijke gemeenten in en rond het huidige Algerije en Tunesië, waar we in de kerkgeschiedenis bekende namen tegenkomen als Augustinus van Hippo en Tertullianus die geboren werd in Carthago. Over die mannen en over de geschiedenis van de streken waar zij werkten is veel geschreven. In een ander deel van Afrika echter, kom je ook al heel vroeg een christelijke kerk tegen. In dit artikel trekken we naar de hoorn van Afrika, waar de kerk al heel vroeg ontstond.
In de hoorn van Afrika komen we terecht in Ethiopië. Als je daarbij op zoek gaat naar de geschiedenis van de kerk, wordt er gewezen op de verbondenheid van deze streek met de geschiedenis die de Bijbel vertelt. Dat gaat terug naar de tijd van Salomo, die bezocht werd door de koningin van Seba.
Joodse wortels
In een van de bronnen, de zogenaamde Kebra Nagast (de Roem der Koningen), wordt verteld dat de koningin van Seba de wijsheid van Salomo zocht en dat zij samen een zoon kregen, die de naam Menelik I kreeg. Een belangrijke legende vertelt dat deze Menelik I als jongeman naar Jeruzalem reisde om zijn vader te ontmoeten, en dat hij daar gezalfd zou zijn tot koning van Ethiopië. Bovendien zou hij bij dat bezoek de Ark van het Verbond vanuit Jeruzalem naar Ethiopië hebben gebracht.
Bij deze legende worden heel veel vragen gesteld door historici, maar opmerkelijk is wel dat de Ethiopische kerk vanouds en tot op de dag van vandaag diepe Joodse wortels heeft. Die worden onder anderen zichtbaar in het feit dat de besnijdenis en spijswetten worden onderhouden.
Een tweede bijbelse lijn die aangewezen wordt, en die wij kennen uit het Nieuwe Testament, is de geschiedenis van een hoge ambtenaar, die in dienst was van de koningin van Ethiopië. Deze kamerling komt, zo vertelt Handelingen 8, in aanraking met de evangelist Filippus door wie hij het evangelie van Gods liefde in Jezus Christus leert kennen. Hij komt tot geloof en reist met blijdschap terug naar Ethiopië. Dit gebeuren wordt in Ethiopië altijd uitgelegd als de geboorte van de christelijke kerk aldaar. De kamerling zaaide het evangelie, en daarmee begon het.
Huiswerk
In de verdere ontwikkeling van de geschiedenis van de kerk in Ethiopië komen we terecht in de vierde eeuw. Daar speelt het verhaal van Frumentius en Aedesius een belangrijke rol. We leren hen kennen als twee Syrische christenen die, op jonge leeftijd, door hun oom Meropius werden meegenomen op een zeereis op de Rode Zee. Toen het schip ergens aanlegde in een haven werd de bemanning overvallen en gedood. De twee jongens bleven bij die aanval gespaard. Daarbij wordt verteld dat ze niet gedood werden omdat ze er tijdens de overval niet bij waren, maar dat ze ergens onder een boom hun huiswerk zaten te maken. Toen de aanvallers dat zagen, raakten ze diep onder de indruk van hun toewijding aan hun lesboeken. Daarom doodden ze hen niet, maar namen ze hen mee als buit. Ze werden als geschenk aan koning Ella van Aksum aangeboden, die hen – omdat ze konden lezen en dus kennelijk intelligent waren – opnam in zijn huishouding.
De twee broers werden aan het hof ingeschakeld. Frumentius werd aangesteld als koninklijke secretaris en Aedesius werd de schenker van de koning. In deze functies verwierven de broers het vertrouwen van de koning, en ook van zijn vrouw, die hen na het overlijden van haar man vroeg om haar te helpen bij het regeren van het rijk, omdat haar zoon, Ezana, nog te klein was. Frumentius speelde in die tijd een heel belangrijke rol, omdat hij als opvoeder van de kleine Ezana heel veel invloed had. Hij gaf hem onderwijs in de manier hoe je als koning moet regeren, maar ook bracht hij hem christelijke principes bij. Bovendien wist hij zijn invloed te gebruiken om overal in het land kerken te laten bouwen, waardoor het christelijk geloof zich meer en meer wortelde en, toen Ezana uiteindelijk koning werd, tot staatsgodsdienst werd verheven.
Vader van de vrede
Nadat Ezana de troon had bestegen en het christelijk geloof tot staatsgodsdienst had uitgeroepen, reisde Frumentius naar Alexandrië waar in die dagen de ook bij ons bekende kerkvader Athanasius als bisschop zetelde. Frumentius kwam bij de bisschop en vroeg aan de bisschop om iemand als bisschop naar Ethiopië te sturen. Daarmee zou de kerk in Ethiopië namelijk niet alleen officieel erkenning verwerven maar ook een stevige ondersteuning krijgen. Toen Frumentius bij dat bezoek aan Athanasius vertelde hoe de kerk in Ethiopië ontstaan was en wat daar allemaal gebeurd was, raakte Athanasius zozeer onder de indruk van alles wat hij hoorde dat hij zonder aarzelen een vergadering van priesters belegde, waar geconcludeerd werd dat er niemand meer geschikt zou zijn om bisschop in Ethiopië te zijn dan Frumentius zelf. Hij werd dan ook tot bisschop gewijd, ongeveer in 330 na Christus, door Athanasius, en keerde daarna terug naar Ethiopië waar men hem de eretitel Abba Selama (vader van de vrede) gaf. Kort na zijn terugkeer in Ethiopië doopte hij koning Ezana.
Door al deze gebeurtenissen ontwikkelde Ethiopië zich tot een van de eerste landen in de wereld waar het christelijk geloof staatsgodsdienst werd. Er werden hechte banden gesmeed met de Koptische kerk in Egypte die tot in de twintigste eeuw duurden. Pas in 1959 werd de kerk in Ethiopië, onder de toenmalige keizer Haile Selassie, volledig onafhankelijk van de Koptische kerk.
Tot zover een korte schets van de geschiedenis van de kerk in Ethiopië. In een volgend artikel gaan we in op meer theologische ontwikkelingen binnen deze oude kerk, die zich tot op de dag van vandaag ziet als bewaarder van het vroegchristelijke geloof.
Jan van ’t Spijker, Hoogeveen



