Wie had het ooit kunnen bedenken! Het is een item waar op wereldniveau over wordt nagedacht: van wie is de maan? Als je het een normaal mens zou vragen, denk ik toch dat je vreemd zou worden aangekeken. Überhaupt de suggestie al!
Er wordt wel heel veel waarde gehecht aan het hébben van goederen, land, geld, aanzien en macht. En het bijzondere is dat dit vooral geldt voor die mensen die daar al heel veel van hebben. Het is nooit genoeg. De namen Musk en Trump moeten in dat verband toch even worden genoemd. Het willen hebben van de maan is slechts een volgende stap.
Op 21 juli 1969 betrad de Amerikaanse astronaut Neil Armstrong als eerste mens de maan tijdens de Apollo 11-missie. Sindsdien zijn er verschillende onderzoeken en bezoeken geweest en zijn we vertrouwd met het fenomeen. De hele ruimtevaartindustrie heeft ons heel wat gebracht en we maken er met zijn allen dankbaar gebruik van. Om maar één ding te noemen: de navigatiesystemen brengen ons veilig waar we willen zijn. Daarvoor hebben wij de maan en de sterren niet meer nodig, laat staan dat we weten hoe dat zou moeten.
Want daartoe heeft God ze bestemd. In Genesis lezen we hoe God de lichten aan de hemel heeft geschapen: God zei: ‘Laten er lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten dienen als tekens die de feesten aangeven en de dagen en de jaren, en als lampen aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het.
Door de aanwezigheid van deze lichtpunten kon er worden gereisd en tot op de dag van vandaag is dat met name in de zeevaart van groot belang. Iedereen kan er belangeloos gebruik van maken
En nu dan: de maan staat kennelijk ‘te koop’. Het is te verwachten dat degene met de meeste macht haar zal verkrijgen. Salomo had geen weet van dit initiatief, het is wat mij betreft wel ‘nieuws onder de zon’ maar zijn woorden zijn van alle tijden: Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is lucht en leegte. Het is niet meer dan lucht en najagen van wind (Pred. 1:2 en 14)
Overigens: in de Bijbel wordt meermalen gesteld dat ‘alles aan de Heer toebehoort’. Het is het besef, dat hoewel je legitiem allerlei eigendomsaktes en spullen kunnen hebben vergaard, je daarover altijd verantwoording moet kunnen afleggen aan de Heer, aan Wie alles immers toekomt. We hebben het slechts te leen en zijn vreemdelingen en te gast (Lev. 25:23). En hier gaat het over aardse zaken.
Maar het moge duidelijk zijn. Het antwoord op de vraag van wie de maan is, kan alleen maar zijn: van de Here God, Schepper van hemel en aarde.
Nel Noppe, Tzummarum



