Calvijn was tegen het orgel in de kerk en ook in Nederland werd er tijdens synodes tegen kerkelijk orgelgebruik gestemd. Hoe kan het dan het instrument toch zo’n prominente plaats inneemt in het kerkelijk leven?

 

De traditionele uitleg is dat plaatselijke overheden de orgels beschermden en de kerkelijke gemeenten vanaf de jaren 1630 begonnen te dwingen het instrument te gebruiken voor begeleiding van de samenzang. Dat was nodig, omdat de samenzang een puinhoop was. Maar dat ligt genuanceerder.

 

Tekstvervangend

Hoe zorg je ervoor dat de boodschap van het evangelie mensen van nu aanspreekt? Het is een vraag waarover Paulus zich al heeft gebogen. ‘Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing voor God met heel uw hart psalmen, hymnen en liederen die de Geest u vol genade ingeeft,’ zo staat er in Kolossenzen 3:16.

De eerste christenen zongen dus al hymnen en liederen die de Geest ingeeft. Sinds die eerste gemeenten zijn christenen steeds nieuwe muziek blijven maken. In ieder geval vanaf de Middeleeuwen klinkt er ook meerstemmige muziek. Daarbij ontwikkelt het orgel zich tot een muziekinstrument waarmee je gemakkelijk meerstemmig kunt spelen. Vanaf ongeveer het jaar 1200 zijn er steeds meer aanwijzingen van orgels in steden - later ook in bepaalde dorpen.

In de kerk klonk de gezongen muziek nog altijd in de taal van het West-Romeinse rijk: het Latijn. Je had er speciaal opgeleide mensen voor nodig en vaak waren dat priesters en hun leerlingen. Dit koor zong soms meerstemmig. Het orgel kon de rol van het koor overnemen: het ene vers werd bijvoorbeeld door het koor gezongen, waarna de organist het daaropvolgende vers speelde. Deze ‘om-en-om’-manier van musiceren heet officieel alternatim. Je zou het ook ‘tekstvervangend orgelspel’ kunnen noemen, omdat daarmee precies duidelijk is wat er gebeurt: de organist vervangt een te zingen tekst door orgelspel.

Voor de meeste gewone kerkgangers zal het niet veel verschil hebben gemaakt of een tekst in het Latijn werd gezongen door het koor, of werd gespeeld door het orgel. Want gezongen of gespeeld: in geen van beide gevallen wisten zij waar het precies over ging. Belangrijk was dat zij bij het ritueel aanwezig waren. De muziek hielp mee bij het creëren van een gewijde sfeer.

 

Klanktaal

Al ver voor de Reformatie klinkt er in de kerk kritiek op de manier waarop de liturgie wordt vernieuwd. Een belangrijk argument daarbij is 1 Korintiërs 14. Hier is te lezen dat er tijdens samenkomsten van de gemeente niet in onbegrijpelijke taal gesproken mag worden. Een aantal reformatoren, waaronder Johannes Calvijn, neemt die kritiek over. Het Latijn, meerstemmigheid en het gebruik van tekstvervangende muziekinstrumenten beschouwen zij als het spreken in een taal die niet door iedereen wordt verstaan. De gemeente kan hier dus niet door worden opgebouwd.

De Reformatie zorgt voor ingrijpende veranderingen in de kerken - vooral ook in de liturgie. In veel steden klinkt het orgel als de gemeente de kerk binnenkomt. Na de opening van de dienst volgde een eenvoudige liturgie gebed, schriftlezing, verkondiging en samenzang. Dit laatste gebeurde zonder orgel, want orgelbegeleiding was nog een nog onbekend fenomeen. Pas na afloop van de dienst kon de organist zich weer laten horen, waarbij het de bedoeling was dat hij voornamelijk psalmmelodieën speelde.

 

In 1574, kort nadat de eerste Nederlandse steden zich aan Spanje ontworstelden - Den Briel kwam in 1572 in handen van de Geuzen - spreekt de provinciale synode van Dordrecht zich uit over het orgel. De synode beroept zich op daarbij op 1 Korintiërs 14. De synode verklaart (vertaald in modern Nederlands):

 

‘Ten aanzien van het orgelspel in de gemeente [wordt hiermee ‘kerkgebouw’, of ‘kerkdienst’ bedoeld? JJS] stelt men dat het afgeschaft moet worden, volgens de leer van Paulus in 1 Kor. 14:19. Waar het in sommige kerken wordt gebruikt bij het uitgaan van de dienst, daar leidt het vooral om te vergeten wat men zojuist heeft gehoord. Ook is er het risico dat het later tot bijgeloof gebruikt zal worden, zoals het nu al tot lichtvaardigheid dient. Zou het orgelspel echter afgeschaft worden, dan zou de collecte beter aan de deur gehouden kunnen worden, bij het naar buiten gaan van het volk, in plaats van tijdens de dienst, zoals men dat nu zeer hinderlijk doet.’

 

Uit de oorspronkelijke notulen blijkt dat dit synodebesluit pas helemaal aan het einde van de vergadering genomen werd, terwijl de besluitenlijsten al werden overgeschreven! Het orgel had voor de synode dus geen prioriteit.

 

Accentverschillen

Interessant is ook dat de synode veel gewicht geeft aan praktische argumenten: een collecte tijdens de dienst is een ‘groote hindernisse des dienstes’. Het is daarom beter om te collecteren na afloop van de dienst. Het lijkt een merkwaardig argument, want waarom zou een deurcollectie pas mogelijk zijn als de organist niet speelt? Vermoedelijk dacht de synode dat orgelspel na de dienst mensen in de kerk zou houden, waardoor de deurcollecte minder zou opbrengen voor de armen. Dit impliceert echter ook dat er voor het orgelspel een publiek was, een publiek dat het risico zou lopen door orgelspel de preek te vergeten - een kerkelijk publiek dus.

Ook de nationale synodes van 1578 en 1581 spreken zich uit tegen het orgelgebruik, al zijn er in de verslagen accentverschillen te vinden. Hoewel het orgelgebruik nog niet is geëvolueerd tot het begeleidingsinstrument van vandaag de dag, bleef het instrument in de kerken gehandhaafd. Er was publiek voor het orgelspel - ook een kerkelijk publiek. De Dordtse predikant Balthasar Lydius bevestigt in 1610 dat muziekinstrumenten wel degelijk een rol kunnen vervullen bij de lofprijzing. Over orgels in de kerk schrijft hij: ‘wy bekennen geerne, dat op musicale Instrumenten Godt oock kan ghedanckt worden, volgens ontallijcke plaetsen der H. Schriftuere’. Voorwaarde is wel dat er alleen geestelijke lofzangen op gespeeld worden ‘met een statighe musike’. Het is niet de bedoeling dat er ‘lichtveerdighe trippel ende dans musyke, dat de voeten daer licht van worden’ op gespeeld wordt. Het doel is namelijk de toehoorders op te wekken met een godzalige vreugde. Klinkt de muziek te frivool, dan is het orgel te beschouwen als niets minder dan ‘Baals Fluyten’.

In een volgend artikel zal het veranderend orgelgebruik in de zeventiende eeuw centraal staan.

 

Jaap Jan Steensma, Culemborg

 

Dr. Jaap Jan Steensma is organist, orgeladviseur (orgeladvies.nl) en adviseur Cultureel Erfgoed van de Stichting Dioraphte. In drie artikelen geeft hij een inkijkje in het onderzoek waarop hij in 2025 promoveerde aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.


Commentaar

  • Na de droogte 2026-08-29 10:30:59

    Op het moment dat ik dit commentaar schrijf, is het een beetje aan het regenen. Geen grote...

  • Van wie is de maan? 2026-08-15 07:22:18

    Wie had het ooit kunnen bedenken! Het is een item waar op wereldniveau over wordt nagedacht: van...

  • Hoe leren kinderen de kerk lief te krijgen? 2026-08-01 13:45:11

    Veel (groot)ouders verlangen ernaar dat hun kinderen naar de kerk gaan. Niet alleen omdat het...

  • God geeft groei (en bloei) 2026-07-18 10:22:16

    Terwijl ik dit schrijf, staat buiten een aanhangwagen vol met snoeiafval te wachten om naar de...