Op D.V. maandag 28 september aanstaande wordt in Hoogeveen de bidstond gehouden die voorafgaat aan de generale synode. De opening van deze synode is op dinsdag 29 september. Van 30 september tot en met 2 oktober worden de eerste plenaire vergaderingen gehouden. Wat zal dan worden besproken?
Die vraag houdt heel wat kerkenraden, gemeenteleden en predikanten bezig. Omdat er binnen het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken niet alleen maar spanning gekomen is tussen verschillende gemeenten, maar er inmiddels ook sprake is van vervreemding en zelfs verwijdering.
Schroom
In verschillende kranten is uitvoerig gemeld dat zich een scheuring aan het voltrekken is. Zelfs het NOS-journaal heeft er aandacht aan besteed. Daarbij worden twee plaatsnamen gebruikt die op een bepaalde manier verbonden (moeten of kunnen) worden aan de verschillende ‘standpunten’ die worden ingenomen, en die tot vervreemding of zelfs verwijdering hebben geleid.
Ik zet dat woord ‘standpunten’ bewust tussen aanhalingstekens, omdat dat de lijnen lijken te zijn die bepalend zijn voor hoe er gedacht wordt en hoe er tegen de scheuring wordt aangekeken. In die situatie komt de generale synode van Hoogeveen eind september bijeen. En dan is inderdaad de spannende vraag wat er gaat gebeuren, tijdens, en misschien nog wel meer, na de synode. Wat betekent dit allemaal voor het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland? En dichterbij: wat betekent dit voor de gemeente waar ik thuishoor? Ik kan me zomaar voorstellen, en ik weet ook, dat die vraag bij heel veel gemeenteleden leeft.
Als ik deze artikelen schrijf, doe ik dat aan de ene kant met een geweldig stuk schroom. Ik besef terdege dat wat ik ook maar schrijf allemaal op een goudschaaltje gewogen zal worden, en dat er altijd andere dingen gezegd kunnen worden en ook gezegd zullen worden. De thematiek die ertoe geleid heeft dat er gesproken wordt over verwijdering en scheuring, raakt heel duidelijk wezenlijke zaken die met het kerk-zijn te maken hebben. En daarover kun je niet, in een paar korte artikelen, datgene zeggen wat tot een oplossing zou kunnen leiden. Dat pretendeer ik dan ook niet.
Kerk
Wat mij voor ogen staat in deze artikelen is iets anders. En ik voel me genoodzaakt om dat naar voren te brengen. Dat is de andere kant. Ik heb in de jaren dat ik als predikant heb mogen werken heel wat geleerd, van oudere en wijze collega’s, maar ook van mijn vader en van mijn grootvader. U zult het niet vreemd vinden dat ik dat hier vermeld. Mijn vader en ook mijn grootvader, professor Jan Hovius, werkten allebei aan wat nu de Theologische Universiteit Apeldoorn is. Zij hebben de generatie predikanten waartoe ik behoor vooral ook gevormd als het gaat om de principia van het samen kerk-zijn; de kerkrechtelijke principes.
Daarbij hebben ze het er bij ons ingehamerd dat je alleen maar over de kerk kunt praten als je op de goede plek begint. En dat is bij (het kruis van) Christus. Want de kerk is, zoals de Heidelbergse Catechismus dat belijdt in zondag 21, de gemeente die Christus Zich vergadert, beschermt en in stand houdt. Dat kerkvergaderende werk kun je niet los zien van het kruis waaraan Hij Zichzelf gegeven heeft tot redding en behoud.
Dat is het eerste wat altijd heel direct meespreekt. Dat betekent dat Hij de zijnen bij elkaar brengt. En dat kan ik ook anders zeggen: dat betekent dat Hij hen in de kerk aan elkaar geeft en verbindt. Wij hebben elkaar niet uitgekozen, maar Christus heeft ons uitgekozen en ons aan elkaar gegeven. En dat betekent, als ik verder denk vanuit dit beginsel, dat we in de kerk alleen maar op de manier van Christus met elkaar kunnen omgaan. Het woord kerk wijst daar zelf heel duidelijk op: het is immers afgeleid van het woord kuriakè, wat zoveel zeggen wil als: dat wat van de Here is. Dus moet het op de manier van de Here gaan, moet het op de ‘kuriakè-manier’ gaan. Daar loopt een heel duidelijke lijn naar wat mijn vader altijd zei: ‘Op een kerkelijke vergadering kunnen en mogen alleen kerkelijke zaken op een kerkelijke manier behandeld worden.’ Die woorden blijven maar bij mij boven komen, en ik voel dat ik, op weg naar de generale synode van Hoogeveen, dat fundamentele principe naar voren moet brengen.
Toon
Nee, ik breng dat fundamentele principe dat niet naar voren om daarmee te zeggen dat het in het verleden niet functioneerde. Ik doe het omdat ik hoop en bid dat juist dit principe op de te houden synode van Hoogeveen de toon zal zetten: dat de afgevaardigden de kerkelijke zaken die aan de orde komen op een kerkelijke manier behandelen.
Wat die kerkelijke manier inhoudt, daar hoop ik in het laatste artikel in deze serie iets over te schrijven. Maar eerst – en dat komt in het tweede artikel aan de orde – wil ik wijzen op een belangrijk rapport dat al geruime tijd geleden (in 2023) aan de kerken is aangeboden. Wat staat er allemaal in dat rapport, en welke weg wordt daarin gewezen?
Intussen, en dat merk ik op ter afsluiting van dit eerste artikel, kunnen we er niet omheen de komende generale synode een bijzondere synode te noemen.
Daarbij denk ik aan verschillende dingen. Allereerst is de planning van deze synode niet op de gebruikelijke manier tot stand gekomen. De rechter moest eraan te pas komen. Ik ga daar niet inhoudelijk op in, maar constateer het slechts.
Tegelijkertijd is het wel een kerkelijk wettige synode omdat de kerkelijke weg bewandeld is bij het afvaardigen naar de synode: vanuit de classes werden de afgevaardigden naar de particuliere synodes verkozen, en vervolgens werden op de particuliere synodes de afgevaardigden naar de generale synode verkozen.
Maar er is nog een bijzonderheid die juist bij deze synode een rol speelt. En dat noem ik met pijn: een deel van de kerken heeft zich bewust gedistantieerd van de gang naar de generale synode van Hoogeveen door niet meer op de classis te komen en derhalve ook niet meer beschikbaar te zijn voor afvaardiging naar de particuliere synodes en daarom ook niet naar de generale synode van Hoogeveen. Dat doet pijn. Omdat we elkaar nodig hebben.
Jan van ’t Spijker, Hoogeveen



