Zuiverheid, gelukzaligheid, afkerigheid van het kwade en al dat soort eigenschappen doen mensen lijken op God, aldus Gregorius van Nyssa. Het geschrift van deze kerkvader over de mens als beeld van God was bijzonder invloedrijk. Van dit geschrift is dit jaar een Nederlandse vertaling verschenen.

Gregorius van Nyssa, geboren rond 335 en gestorven rond 394, was bisschop van de stad Nyssa in Klein-Azië (het westelijk deel van het huidige Turkije). Samen zijn broer Basilius de Grote en hun vriend Gregorius van Nazianze worden zij de Cappadociërs genoemd: zij woonden in de provincie Cappadocië.

 

Verstand

God heeft volgens Gregorius de mens als zijn beeld verrijkt met mooie deugden: ‘zuiverheid, vrijheid van ongebreidelde hartstocht, gelukzaligheid, afkerigheid van het kwade en al dat soort eigenschappen die in mensen de gelijkenis met het goddelijke bewerken’. Zo mogen we als mensen een ‘afbeelding’ van God zijn en de ‘goddelijke schoonheid’ tonen. Ook in de liefde komt die gelijkenis naar voren.

Gregorius meent dat daarbij het verstand een speciale plek inneemt. Daarin komt de gelijkenis met God vooral naar voren. De reden daarvan is dat niemand de werking van het verstand begrijpt. Het verstand is bij al onze zintuigen betrokken, maar blijft toch steeds zichzelf. Dat kan van geen enkel ander aspect van ons mens-zijn worden gezegd. En dat is nu juist ook kenmerkend voor Gods wezen, zo stelt Gregorius: onbegrijpelijkheid en onveranderlijkheid. Daarom ligt volgens hem daar de kern van het beeld-van-God-zijn. Zo hebben ook vele theologen na hem gesproken: juist in het verstand lijkt de mens op God.

Daarmee gaan Gregorius en zijn navolgers echter uit van een gedachte die inmiddels is achterhaald. Het woord ‘beeld’ in de Bijbel betekent zoiets als vertegenwoordiger of representant. Als zodanig staat de mens in relatie tot God en ontvangt hij diens woord. Hij vertegenwoordigt diens gezag in de zorg voor en het beheer van de schepping. Wat daarbij komt is dat hij daarin op God  ijkt. Zoals God in het bijzonder met de mens een relatie is aangegaan, zo staat de mens als diens vertegenwoordiger in relatie tot zijn naaste en heel de schepping.

 

Engelen

Verder heeft Gregorius een wat vreemde voorstelling van het man- of vrouw-zijn. Wij zeggen (op basis van wat wij van de Bijbel verstaan) dat je altijd of man of vrouw bent, met al de karakteristieke eigenschappen die daarbij horen. Volgens Gregorius staat het beeld-van-God-zijn los van het man- of vrouw-zijn. De mens als beeld van God lijkt namelijk, zo stelt hij, op de engelen. Hij ontleent deze gedachte aan wat het Nieuwe Testament zegt over de toekomst van de mens in Gods nieuwe wereld: dan zullen wij zijn als de engelen. Dan zal er geen huwelijk meer zijn. Gregorius ziet die toestand als het herstel van de schepping zoals zij in het begin was. Dat betekent dan ook dat er toen geen huwelijk was en dus ook geen seksueel verlangen. Het gelijk-zijn aan God houdt dus in dat er geen onderscheid is tussen man en vrouw: in ‘dat schepsel’, zo zegt Gregorius, is mannelijk- of vrouwelijk-zijn helemaal niet aan de orde. De mens had vóór de val niet ‘de hulp van de huwelijksgemeenschap’ nodig. Zonder de zondeval zouden mensen zich op dezelfde manier vermenigvuldigen als de engelen (ook al blijft onduidelijk hoe die vermenigvuldiging zou hebben plaatsgevonden). Zij zouden zich hebben vermenigvuldigd tot het getal vol zou zijn dat God voor de mensheid in gedachten had.

Gregorius ziet het onderscheid tussen man en vrouw als iets dat later bij het mens-zijn is gevoegd. God heeft, aldus de kerkvader, ‘na de formering van het beeld het verschil in mannelijk en vrouwelijk aangebracht bij zijn boetseerwerk’. Dat onderscheid is een element van verandering in de mens. Dat kan volgens de kerkvader dus niet bij het beeld-van-God behoren, want bij God is geen verandering.

 

Vermenigvuldiging

Gregorius schrijft dat God het man- of vrouw-zijn aan het mens-zijn heeft toegevoegd omdat Hij voorzag dat de mens in zonde zou vallen. De mens zou daarmee uit het engelenleven wegvallen. Hij zou zich dus ook niet meer vermenigvuldigen zoals de engelen doen. Daarmee zou er een groot probleem ontstaan. De mensheid zou niet tot het door God gewenste aantal kunnen komen. Daarom heeft God de mens een wijze van vermenigvuldiging gegeven die ook zou kunnen blijven bestaan na de zondeval. Hij legde daartoe in onze natuur het streven naar vermeerdering zoals dat past bij de dieren. Onze natuur bestaat daarom in twee delen: een deel dat lijkt op het goddelijke bestaan en een deel dat lijkt op het aardse bestaan.

De Schrift leert echter dat wij óf als man óf als vrouw zijn geschapen. Tegelijkertijd zijn man en vrouw ook samen beeld van God. Samen vertegenwoordigen zij God in zijn schepping. Daarin vullen wij elkaar aan. Dit is anders dan Gregorius leert. Hij leert dat het man- of vrouw-zijn buiten het beeld-van-God-zijn valt.

Tegelijkertijd is het wel mooi dat Gregorius – anders dan vele tijdgenoten en ook anders dan in de traditie werd gedaan – de vrouw geen lagere positie toedicht dan de man en niet beweert dat de vrouw een geringer intellect heeft dan de man. Gregorius vindt dat de vrouw ook beeld van God is. Het intellect, zo zegt hij, is gelijkelijk in allen gezeteld, ‘dat allen macht hebben om hun verstand te gebruiken’. Hij heeft daarbij vast gedacht aan zijn grootmoeder Macrina de Oude, zijn moeder Emmelia en zijn oudste zuster Macrina de Jongere. Vooral de laatste heeft veel betekend voor de kerk in die dagen.

Ten slotte viel mij op dat Gregorius de menselijke geest (het intellect) niet alleen in de hersenen gesitueerd ziet. Het intellect ‘hecht zich aan elk van de lichaamsdelen’. Deze opmerking viel mij op omdat in onze tijd wordt gesproken over het doneren van organen in geval van hersendood. Ik heb daar ook in dit kerkblad wel eens over geschreven. Toen heb ik gezegd dat dit nogal problematisch is. Is iemand werkelijk dood als de diagnose hersendood wordt gesteld? Dan kun je daaraan toch niet direct de conclusie verbinden dat ook het lichaam en daarmee heel de mens (meteen) dood is? Wat ik toen schreef, vond ik nu terug in dit geschrift van een grote kerkvader over de mens als beeld van God. Een mens is meer dan zijn brein. Gregorius onderstreept terecht de waarde van de lichamelijkheid van de mens.

Al met al is dit een heel waardevol boek van een belangrijke theoloog, die diepzinnige gedachten naar voren brengt, terwijl tegelijkertijd die gedachten soms ook iets speculatiefs hebben.

 

 

Douwe Steensma, Feanwâlden

 

N.a.v. Gregorius van Nyssa, De mens als beeld van God [De hominis opificio]. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Piet Hein Hupsch, met een voorwoord van Paul van Geest, Eindhoven: Damon, 2026, 160 p., hardback, € 24,90, ISBN 978 94 6340 383 2.

 


Commentaar

  • God geeft groei (en bloei) 2026-07-18 10:22:16

    Terwijl ik dit schrijf, staat buiten een aanhangwagen vol met snoeiafval te wachten om naar de...

  • Winnen of verliezen 2026-07-03 18:15:03

    Sport heeft een grote plaats in het leven van veel mensen. Veel gebeurt er op amateurniveau....

  • Waarom doet God er niets aan? 2026-06-20 08:08:37

    Ik las een artikel in het bekende Amerikaanse blad Christianity Today dat me aan het denken zette. De...

  • De hel 2026-06-06 06:52:25

    Op het moment dat ik dit schrijf, is het aan de vooravond van een conferentie van predikanten van...