Als jongen had ik last van aanvallen van galsteen. Toen ik 16 of 17 jaar was, vond de dokter mij te jong om mij te opereren. Ik moest een dieet aanhouden: geen vet en koolsoorten e.d. Dat ging goed tot ik in 1954 in de pastorie van Mussel heel erge aanvallen kreeg. Onze huisarts raadde mij aan nu tot operatie over te gaan. Dat zou in het ziekenhuis van Emmen kunnen plaatsvinden. De huisarts vroeg, wanneer voor mij de beste tijd was. Ik zei hem: ' In augustus, want dan ligt het werk voor de eigen gemeente en voor het bredere kerkelijk bedrijf bijna stil'. Hij zou alles voor mij regelen.

Zo kwam ik in het ziekenhuis van Emmen terecht. Het was in de natuur dat jaar heel warm. Dat bleef het een hele tijd. Ik kwam in de aangebouwde barakken van het ziekenhuis te liggen. De afdeling kende een lange gang met links allemaal eenpersoons kamer. Aan de rechterkant waren de kamers voor meer personen. De deur naar de lange gang bleef overdag open en ging 's nachts dicht. De daken van de barakken werden telkens met koud water bespoten om het binnen wat af te koelen.

Daar lag ik dan! Er gingen wat dagen overheen vóór de operatie kwam. Wat moest ik doen? Ik had wat theologische lectuur bij me, maar ik wou niet heel de dag liggen lezen. In het nachtkastje naast mijn bed vond ik een liedboekje met psalmen en gezangen. 'Weet je, wat ik doe', dacht ik bij mijzelf: 'Ik ga dat boekje dóórzingen. Kijken welke liederen ik allemaal ken!' Zo begon ik de eerste dag 10 minuten te zingen. Dat deed ik 's morgens en 's middags. Vrij zachtjes, al had ik toen al een flinke stem.

De volgende dag kwam een zuster even binnen lopen en zei tegen mij, dat de mijnheer in de kamer naast mij het heel fijn vond, dat ik zong. Hij kon me goed horen en vroeg mij door de verpleegster, of ik niet wat langer kon zingen. Hij werd er zo door bemoedigd en getroost. De zuster vertelde mij, dat deze patiënt ingenieur was. Dat raakte me erg, want ik had als jongen graag ingenieur in weg- en waterbouw willen worden. Verder deelde ze mee dat hij erg ziek was. Hij had namelijk kanker in erge mate.

En ik maar zingen. Nu wat luider, zodat mijn vrouw die een keer met ons jongste dochtertje Agatha op bezoek kwam, mij al aan het begin van de gang hoorde zingen en galmen. De zuster kwam mij steeds vertellen, hoe het met die mijnheer ging. Ze heeft zijn naam mij niet genoemd; dat mocht toen zeker niet. Ze vertelde me, dat hij flink achteruit ging. Ik maar dóórzingen. Zo heb ik mijn medepatiënt en broeder in het geloof zingend mogen begeleiden, tot hij ging sterven, tot hij de dood doorging naar de eeuwige glorie bij Jezus. Psalmen zong ik, liederen hief ik aan. Ook over het nieuw Jeruzalem, over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Zal ik hem straks daar weer ontmoeten, peins ik nu, en dan zeggen: 'Weet u nog van het ziekenhuis in Emmen? Wat zijn we samen door zingen toen gesterkt en getroost! Onze God bracht mij in die tijd in dat ziekenhuis op die plek om u zingend te begeleiden naar het einde!'

Soli Deo Gloria!

 

Hoogeveen                                                                                                                          
T. Brienen


Commentaar

  • Op weg naar de GS 2024-06-15 10:09:55

    Als dit kerkblad verschenen is, is het bijna zover dat de Generale Synode bijeen komt in...

  • Genoeg is genoeg! 2024-06-02 12:35:18

    Na een verjaardag waarbij de hele familie gezellig langs is gekomen en iedereen gezellig is en...

  • Pinksteren 2024-05-17 18:03:28

    In dit nummer van het Kerkblad wordt speciaal ingegaan op Pinksteren. De uitstorting van de...

  • Wereldverbeteraars 2024-05-03 13:31:31

    Wereldverbeteraars Met zijn boek ‘De meeste mensen deugen’ (2019), heeft Rutger Bregman zijn...