Wat kun je soms tegen een nieuwe taak opzien! Vast en zeker hebben ook de leerlingen van Jezus dat gedaan. Ze moesten zich voorbereiden op een wel heel bijzondere missie. Jezus had hen geroepen. Ze moesten niets minder zijn dan het licht van de wereld, en het zout van de aarde.

 

De taak die Jezus vandaag de zijnen geeft, is niet minder: God lief hebben boven alles en je naaste als jezelf. En hoort daar ook niet bij het verkondigen van het evangelie? En het dienen in de gemeente van Christus, op welke manier dan ook? Allen die naar Hem genoemd zijn, hebben een taak, waar dan ook.

 

Maar Jezus bemoedigt zijn leerlingen, als een leerkracht in de klas. Hij doet dat in zijn bergrede (Mat.5,1-7,29), en in het bijzonder in het eerste gedeelte daarvan, de zogenaamde zaligsprekingen (5,1-12). Zoals Mozes eens vanaf de berg Sinaï aan Israël de wet van God gaf, zo spreekt Jezus de kinderen van zijn koninkrijk toe. Zoals Mozes de Israëlieten leidde, zo leidt Christus de zijnen. Zoals Israël voor een nieuw begin stond – moest het volk niet de grote daden van de HERE verkondigen? – , zo staan degenen die bij de Zoon horen voor een nieuw begin. En Hij bemoedigt hen met het oog op de taak die voor hen ligt.

 

Bemoediging

Welke leerling van het koninkrijk kan zeggen dat hij deze bemoediging niet nodig heeft? Wie kan zeggen dat hij nooit eens twijfelt of hij zijn taak in het hemels koninkrijk wel kan uitvoeren? Ook déze vraag kan toch wel eens opkomen: wie ben ik dat God mij wil gebruiken? Of: mag ik eigenlijk wel bij Hem horen? Maar Jezus bemoedigt zijn discipelen: zalig de armen van geest. Juist zij.

Armen van geest zijn diegenen die in hun geest heel weinig bezitten. Ze lijden wat dat betreft armoede. Nee, ze lijden niet per se armoede wat hun verstand betreft. Ook niet in hun voorstellingsvermogen. Ze hebben misschien wel veel kennis, en zijn misschien ook wel buitengewoon intelligent. Het kan zijn dat zij bedeeld zijn met een rijk voorstellingsvermogen, en werken als kunstenaar, tekenaar, kunstschilder, beeldhouwer, musicus, schrijver of dichter. Hun armoede ligt op een ander terrein.

Arm-van-geest-zijn betekent dat je in je verhouding tot God bitter weinig kunt inbrengen. Voortdurend dringt zich dan deze vraag op: wat zou ik de Here God ooit kunnen geven? Hoe zou ik ooit bij Hem mogen horen?

 

Tollenaar

Een voorbeeld van zo'n arme van geest is de tollenaar die zijn ogen niet naar de hemel durfde opslaan, en niet dichtbij de tempel durfde te komen. Hij was misschien een vermogend man, heel intelligent, en begiftigd met een groot voorstellingsvermogen. Maar toch, innerlijk verslagen: verslagen van geest (Ps.34,19).

Heel anders daarentegen is iemand die 'rijk van geest' is, tenminste in eigen ogen. Zoals de farizeeër uit de gelijkenis, die God dankte dat hij niet gelijk was aan die tollenaar. Hij was trots op zijn geestelijke rijkdom.

Is dit ook niet een gevaar dat de gelovige vandaag bedreigt: de gedachte dat je veel bij God kan inbrengen, dat je veel rechten bij Hem hebt, en veel punten verzameld? Zoals de Korintiërs, die al helemaal 'verzadigd' waren. Ze waren o zo rijk geworden, en 'koningen' (1Kor.4,8). Of de gemeenteleden van Laodicea. Riep niet heel deze gemeente: 'Ik ben rijk en heb aan niets gebrek'? (Op.3,17).

Nee, Jezus noemt niet diegenen gelukkig die het zo goed met zichzelf getroffen hebben, en alles al hebben en alles al weten. Wel diegenen die beseffen dat zij zelf niets bij God kunnen inbrengen, maar die ondertussen tóch niets anders kunnen doen dan naar Hem toe gaan.

Deze armen tellen in de ogen van het geestelijk establishment niet mee. Ze voelen zichzelf weinig waard: mijn geloof – wat stelt dat voor? En wat doe ik nu voor God? Wat is mijn hoop op God, mijn uitzien naar Hem? Mijn liefde? Maar Jezus noemt hen tóch gelukkig.

 

Verlangen

Wel wat vreemd. Arm zijn en toch gelukkig. Wat maakt hen dan zo gelukkig? Nu, dat is niet zo moeilijk: verlangen naar God. Een onweerstaanbaar verlangen. Als een magneet worden zij naar Hem toegetrokken. Zoals de tollenaar ondanks zijn geestelijke armoede toch naar de tempel werd getrokken. Hij wist dat hij uit zichzelf niets had wat hij bij God kon inbrengen. En ook dat hij verloren zou gaan als er niets in zijn situatie zou veranderen. Maar één ding had hij nodig, de genade van God.

Jezus prijst diegenen gelukkig die in hun armoede dat verlangen kennen. Dat is ook wat zijn Vader graag ziet: verlangen naar Hem. Zo is het toch ook in een huwelijk dat een echt huwelijk is? Dan zie je toch graag dat de ander naar je verlangt? Zo ziet de HERE God graag dat zijn kinderen naar Hem verlangen, naar zijn woord luisteren, in zijn huis zijn en Hem dienen. Gelukkig de armen van geest, want voor hen is het koninkrijk der hemelen. (Volgende week het tweede en laatste artikel over deze zaligspreking.)

 

D.J. Steensma, Feanwâlden

 


Commentaar