Ook buiten de kerk worden zonden benoemd
Heel lang geleden ontstond een lijst met zeven hoofdzonden. Na wat oudere (en zelfs al voorchristelijke) versies was het paus Gregorius I (540-604) die een officiële lijst samenstelde. Daar stonden de volgende zonden op: gula, acedia, luxuria, superbia, ira, invidia en avaritia. Vertaald naar het Nederlands zijn dat vraatzucht, luiheid, lust, hoogmoed, woede, jaloezie en hebzucht. In latere versies komt de hoogmoed voorop te staan.
Dat paus Gregorius zo’n lijst vaststelde heeft ermee te maken dat het christendom dan ruim honderd jaar staatsgodsdienst is. Het heeft zich razendsnel door Europa verspreid. Maar tegelijk heeft het aan kracht verloren. Ooit was je christen vanuit een persoonlijke overtuiging. Nu wilde iedereen graag christen- zijn, want dat leverde maatschappelijk voordeel op. De christennaam werd een vlag die de lading vaak niet kon dekken. De lijst met zeven hoofdzonden moest helpen om de middeleeuwers duidelijk te maken welke dingen niet te verenigen zijn met het leven als christen.






