De redactie vroeg me om voor het Paasnummer van het kerkblad een artikel te schrijven over de vergelijking die Jezus maakt tussen Zijn eigen dood en opstanding enerzijds en zaad dat in de aarde moet sterven om vrucht te kunnen dragen anderzijds. Ik doe dat graag. Maar toen ik mij in het onderwerp verdiepte, bleek het nog niet zo eenvoudig. Laten we toch een poging wagen…

In Johannes 12:24 zegt Jezus: Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht.

Paulus lijkt dit landbouwonderwijs van Jezus te herhalen. Hij schrijft in 1 Korintiërs 15: 36: Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst afsterven, voordat het tot leven kan komen.

Ik denk dat de meeste Bijbellezers deze teksten lezen, als dat er een graankorrel wordt gezaaid, in de grond sterft, daarna gaat kiemen, vervolgens tot een plantje uitgroeit en vrucht draagt. Maar klopt deze uitleg met hoe het in werkelijkheid in de grond gaat? En als dat niet zo is, hoe moet ik deze Bijbelgedeelten dan lezen en uitleggen?

Ik zeg het direct eerlijk: dat Paulus er landbouwkundig gezien naast kan zitten, daar kan ik nog inkomen. Tenslotte was hij tentenbouwer en geen landbouwer. Maar dat Jezus zelf er naast zit, dat geloof ik niet. Vandaar de opening van dit artikel, namelijk dat het nog niet zo eenvoudig lijkt te zijn…

 

We weten allen wat een opstand in een bepaald land teweegbrengt. Denk alleen maar aan Syrië, waar opstandelingen en het regeringsleger elkaar te vuur en te zwaard bestrijden met als gevolg: dood en verderf, chaos en lijden. Wie kan de spiraal van geweld verbreken? Ban Ki-moon heeft aan het Syrische bewind namens de Verenigde Naties een vredesplan voorgelegd. Of het succes heeft, is zeer de vraag.

In de wereld is ook een opstand gaande. Met de gevolgen daarvan worden we dagelijks geconfronteerd: ontwrichting, lijden en uiteindelijk de dood voor ieder mens. Door de rebellie van een mens, Adam, is de dood op aarde binnengehaald, lezen we in 1 Korinthe 15:21. Wie doorbreekt die fatale cirkel van dood en ondergang? Dit hoofdstuk geeft daar een helder en verblijdend antwoord op. Paulus verkondigt hier het machtige Evangelie dat Christus gestorven is voor onze zonden, dat Hij begraven is en op de derde dag opgewekt. Jezus leeft. Geloven wij dat nog? Want dat heilsfeit wordt ondermijnd door wetenschappelijke argumenten of bestempeld als mythe.

Hoe overleven we het overlijden? Er wordt wel gezegd: ‘Niets is zeker in het leven, behalve dat je dood gaat.’ De dood komt als een doem op je af. Je kunt proberen de dood te ontlopen, zoals getekend in het beroemde gedicht van P.N. van Eijk ‘De Tuinman en de dood’. Daarin zegt De Dood verrast:

‘Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,

Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

De dood ontlopen kan niet. De dood ontkomen kan wel. Niet door te vluchten naar een oud of modern ‘Ispahaan’, maar door te knielen bij het kruis en door te geloven in Jezus Christus, die voor de Zijnen de dood overwon.

‘Eeuwigheidsleven, zal Hij ons geven,

als wij herboren, Hem toebehoren,

die ons is voorgegaan. Halleluja.’

Jezus' opstanding is voor het verstand onbegrijpelijk en wetenschappelijk gezien onmogelijk. Niemand heeft een dergelijk gebeuren ooit waargenomen. Je kunt evenmin vergelijkbare gebeurtenissen uit onze tijd aanwijzen. De waarheid van de opstanding wordt bestreden. Maar er is alle reden voor een verdediging van dit heilsfeit.

Documenten met de vermelding van Jezus' opstanding zijn al vrij spoedig daarna verschenen. Paulus vertelt in een van zijn brieven wat hij zelf drie tot acht jaar na de opstanding heeft gehoord. Net als in onze tijd moesten mensen wanneer zij een gebeurtenis vertelden, precies doorgeven wat echt gebeurd was. Met de feiten mocht je niet naar eigen believen handelen. Anders was dat met fabels. Deze mochten naar eigen behoefte worden aangedikt, wat echt gebeurd was niet. Paulus benadrukt dat in zijn brief aan de Korintiërs: hij geeft door wat hij zelf heeft ontvangen (1 Kor. 15, 3). Hij wil dat zijn lezers goed beseffen dat hij geen fabels vertelt. Zijn manier van spreken wil de feiten onderstrepen.

 

Vraag me niet van wie het gedicht is. Ik weet het werkelijk niet. Enige zinnen ervan heb ik ingevuld in mijn zoekfunctie op het internet. Ik kreeg nul op het rekest. Een naam van de dichter ontbreekt dus. We zullen het moeten en mogen doen met alleen het gedicht. Jaren geleden knipte ik het uit een krant. Ik had het gelezen en het maakte diepe indruk op me.

Waarom raakt een gedicht je? Tja, da’s lastig uit te leggen. Waarom spreekt een bepaald muziekstuk iemand aan. Verklaar dat maar eens.

Gewoon

Misschien is dat wel het eerste. De dichter beschrijft gewoon een weekend. Hij laat het beginnen bij vrijdagmiddag en eindigt het op de zondag daarop. Als het om de zondag gaat – dat weten we – zouden we eigenlijk niet van weekend (weekeinde) moeten spreken. Jaren geleden speelde daar nog een discussie over. Christenen zouden niet moeten spreken van ‘prettig weekend’. Ze zouden elkaar

Commentaar

  • Convent 2024-02-22 17:59:53

    Het kan je haast niet ontgaan zijn. Het convent dat op DV 20 april 2024 door deputaten...

  • Volle verzekering 2024-02-10 09:35:41

    Een gaatje in de agenda maakt dat wij op vakantie gaan. De camper wordt volgepakt met die dingen...

  • Helpen 2024-01-27 09:14:13

    Het is bijna Hulpverleningszondag en daarom wordt in dit nummer van het Kerkblad ingegaan op...

  • Goed voornemen 2024-01-13 09:36:53

    De stelling die Sake Stoppels, emeritus lector theologie, van de CHE, poneert in zijn bijdrage in...