Leren praten met God (2, slot)
In het vorige artikel kwam aan de orde dat God graag door ons serieus genomen wil worden. Dat Hij gebeden wil zijn. Met allerlei bijbelse geschiedenissen toont W.J. Ouweneel dat in zijn boek aan. Dat boek heet Leren praten met God. Hij maakt duidelijk dat God graag wil geven. In dit artikel aandacht voor de werkzaamheid van het gebed als zodanig. Het gebed is namelijk niet maar een soort petitie.
De Heidelbergse Catechismus leert ons over de voorzienigheid van God. Dat is Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht. Daarmee onderhoudt en regeert Hij hemel en aarde. En wel zo, dat loof en gras, regen en droogte, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, niet bij toeval maar uit zijn vaderlijke hand ons toekomen. Ouweneel reageert wat kritisch op deze passage uit de HC. Als dit zo is, zou de vraag kunnen zijn, aldus Ouweneel: mogen we dan wel bidden tegen onvruchtbaarheid, tegen ziekte? God doet ons dit toch aan? Hij wil toch dat we ziek zijn? Maar we kennen toch ook veel bijbelse voorbeelden waarin tegen ziekte, tegen droogte en tegen kinderloosheid werd gebeden?




Zoals ik de vorige keer al vertelde, kwamen mijn vrouw en ik op vrijdagmiddag in Caïro aan. De volgende dag heeft professor Istafanous ons Caïro laten zien. We reden door die immense stad en kwamen ook op het Tahrirplein, waar kort geleden de Egyptische lente uitbrak en gedemonstreerd werd, vooral door jongeren. Toen wij er kwamen, stonden er veel stadsbussen en krioelde het van duizenden mensen. Groot en klein. Wij zeiden tegen elkaar: `Als deze massa loskomt, houdt niemand ze tegen`.
Toen God de duivel toestond om Job zijn bezittingen en kinderen af te nemen, sprak Job de woorden: “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen. De naam van de Here zij geprezen.” Is dit een vorm van vroomheid, van spiritualiteit van hoog niveau? Of wijst het op onjuiste berusting?
Mr. Pieter Pel heeft een belangrijk proefschrift geschreven: Geestelijken in het recht. Mr. Caspar van Heel geeft daarbij enkele overwegingen door. In het eerste artikel werden drie zaken genoemd die in ons kerkverband hebben gespeeld: een geschil van een dooplid met de kerk van Ede, het geschil van ds. Joh. Kruis met de kerk van 's-Hertogenbosch en het geschil van ds. H. R. H. A. de Boer met de kerk van Zeewolde.