Relaties in gebrokenheid
Vandaag de dag zijn mensen mondiger dan ooit, vooral in westerse samenlevingen. Hoe gaan we pastoraal om met dit ‘type mens’ dat zich niet zomaar wat laat gezeggen?
In de voorgaande artikelen in de serie ‘Eigenwijze schapen’ ging het over pastorale ethiek. In artikel één zagen we ondermeer dat God op aarde kwam als méns, en niet als idee of theorie. En dat God gekomen is om het onvolkomene in Zich op te nemen, zich ermee te verbinden. In het tweede artikel kwamen we te spreken over de taak van de kerk. Mensen helpen om Christus zichtbaar te maken: met Christus-ogen leren kijken, en een ‘leven-voor-de ander’ vanuit Zijn liefde te leren ontwikkelen. In het derde artikel kwam het aspect gebrokenheid aan de orde en de vraag hoe daarmee in de ethiek om te gaan. Daarbij werden vier visies besproken. In dit artikel borduren we voort op het zogenaamde tragiekmodel dat oog houdt voor gebrokenheid.




Ceders zijn machtige bomen. Ze kunnen bijna veertig meter hoog worden, de stam kan een omtrek hebben van twaalf meter. Door de horizontaal groeiende takken kan de boom een omtrek krijgen van wel zestig tot negentig meter.
We zitten met z’n drietjes in de ongezellige hal van een psychiatrische kliniek. Zonder moeite kunnen we de gesprekken om ons heen volgen. We proberen ons te concentreren op onze vriendin. ‘Kunnen we niet zachtjes een lied zingen?’ vraagt ze. ‘Wat zullen we zingen?’ Ze heeft een voorstel. ‘Omdat Hij leeft ben ik niet bang voor morgen, omdat Hij leeft mijn angst is weg’. We zingen het zachtjes. Het is geen fiere constatering, het is meer een bede, een diep verlangen. Heer bevrijdt me van de angst. Ik moet denken aan een uitspraak van de dichter Willem Barnard: ‘ik kan alleen nog zingend geloven’.